zaterdag 11 mei 2013

Smeets in DWDD over 'Gepakt'. Een korte analyse.



Interview in DWDD van Matthijs van Nieuwkerk met Mart Smeets over zijn boek 'Gepakt' over dopinggebruik in de wielerwereld, waarin Mart Smeets zegt
1. dat hij als journalist heeft gefaald.
2. dat hij zijn falen niet had kunnen voorkomen.
2a. dat hij schuldig is, maar dat hij er niks aan kon doen.
2b. dat iedereen schuldig is.
3. dat hij doorgaat in een omgeving waarin de kans groot is dat hij opnieuw zal falen.
4. dat zonder deze/zijn instelling sportjournalisten niet zouden bestaan.

Het is het talent van Smeets dat hij met de bovenstaande statements glansrijk wegkomt. Zijn humeur is bovenaards.
Van Nieuwkerk probeert gaten te boren in de goede luim van Smeets, maar Smeets is een maatje te groot.
Van Nieuwkerk doet op een bepaald moment de suggestie dat Smeets zijn werk niet goed heeft gedaan en dan gaat Smeets van zich aftrappen door Van Nieuwkerk frontaal te beledigen ('dan ben jij nog stommer dan je eruit ziet'). 
Van Nieuwkerk is uit zijn evenwicht gebracht en verliest zijn scherpte.

Wat onbelicht blijft in het interview is dat Smeets armdiep (met rubberen gele LiveStrong-band) in de kont zat van Armstrong en niet alleen geen kritiek op hem had, maar hem zelfs jarenlang verafgoodde. Hij had dus helemaal de ambitie niet om te onderzoeken of de prestaties van Armstrong zuivere koffie waren. Smeets was slechts geïnteresseerd in het eufoor ophemelen van de meester. Waarom? 
Omdat dat hem het beste uitkwam bij het ongebreideld laten vibreren van zijn eigen ego, dat het beste gedijt bij het houden van lofzangen. Smeets weet dus helemaal niet of hij er niets aan kan doen dat hij gefaald heeft, want hij heeft geen serieuze poging gedaan om achter de waarheid te komen. Hij geeft het ook toe: hij is een romanticus en romantici hebben een broertje dood aan de waarheid.
Verder het gebruikelijke geraaskal waarin hij ontkent wat hij een zin eerder stelde, als hij het heeft over de generatie huidige wielrenners die het anders wil. In de volgende woorden blijkt dat er al 2 jaar een verboden middel wordt vermoed.
En als hij zegt dat zijn redactie 'precies weet wat er aan de hand is', zegt hij in de volgende zin 'dat weet geen mens.'

Conclusie is dat Smeets veel meer een liegende entertainer is dan een waarheidszoekende journalist. En als je hem dat zou vragen zou hij het er nog mee eens zijn ook, waarschijnlijk.
Smeets gedijt op aandacht, ook als die negatief is. 

Smeets mag nog een paar jaar raaskallen in de Avondetappe. 
Het Rosa Spierhuis wacht aan de horizon.


[Hieronder het transcript met de belangrijkste dialogen.]

Matthijs
Begrijp je niet dat de mensen boos op je zijn, omdat ze zich belazerd voelen. En jij had ervoor kunnen zorgen dat ze niet belazerd werden, want dat is jouw vak. Jij bent journalist.

Mart
Ik snap het. De wielerjournalistiek heeft zijn werk niet goed gedaan. Dat mea culpa heb ik gemaakt.
Maar ik kon er niks aan doen. Ik had niet de middelen om erachter te komen. De enige die dat kon is de Amerikaanse Federale Regering die renners onder ede kan horen.

Matthijs
Maar je wist ervan. In je boek zeg je: 'ik geef toe het wel geweten te hebben, maar niet genoeg om het openbaar te maken. Daarvoor was de wielerwereld te slim en te slecht.' Dus jij, met je goede stel hersens, werkt in een wereld, waarvan je weet, ze nemen me voortdurend in de maling, ze zijn me te slim af, ze lachen om me achter mijn rug.

Mart
Klopt.

Matthijs
Maar het is toch cynisch om in die wereld te blijven werken? Hoe krijg je dat voor elkaar?

Mart
Omdat er een generatie nu op een fiets zit die duidelijk maakt dat zij dat anders willen.

Matthijs
Ik heb het over de jaren die achter ons liggen, Mart.

Mart
Maar ik kan toch niet teruggrijpen daarop. Ik blijf nu in die wereld, omdat die wereld die er nu op een fiets zit het recht heeft om goed behandeld te worden. Daarom doe ik dat.

Matthijs
Je zegt nu dat de huidige generatie wielrenners schoon schip wil maken, maar in je boek zeg je wat anders.
Je zegt er gaan geruchten dat er al 2 jaar een nieuw middel wordt gebruikt waar we niet achter zullen komen en dat nog onzichtbaarder is dan epo, met andere woorden, het circus begint weer van voren af aan. En daar speel jij nog steeds die rol in.

Mart
Nee. Matthijs dat is niet waar. Ik maak duidelijk dat mensen op een andere manier moeten gaan kijken.

Matthijs
Maar jij wist dat er iets aan de hand was.

Mart
Nee, dat wist ik niet. Ik zit op een stoeltje in een kleine cabine en ik praat over een etappe. Denk jij dan dat ik weet welke renner wat gedaan heeft. Denk je dat echt? Dan ben je nog stommer dan je eruit ziet.

Matthijs
Dat laatste vergeef ik je.

Mart
Dat mag ook.

Matthijs
Je gaat verder in je boek en zegt: 'ik kan nu weer tegenover elke renner gaan staan en een normale journalistieke vraag stellen of hij wel eens iets met doping te maken heeft gehad of er iets vanaf weet en dan zal het stellige antwoord zijn, nee daar weet ik niets van.
Ontkennen en liegen hebben hun plaats weer ingenomen. De omerta werkt weer.'
Dus Mart Smeets je wordt in die avondetappe weer belogen en bedrogen door die jonge jongetjes.

Mart
Dat weet ik niet op het moment dat ik het aan ze vraag.

Matthijs
Nee, maar het idee dat het zou kunnen zou voor iemand met jouw status...

Mart
...dan zou er voor topsport en topsportjournalistiek geen plaats meer zijn.

Matthijs
In hoeverre zal de Avondetappe hierdoor veranderd zijn?

Mart
Dat weet ik niet. Dat zullen we zien.

Matthijs
Maar de toon van de gesprekken...

Mart
...zal anders zijn. Ja natuurlijk is die anders. Dat hoef jij mij niet te vertellen.
Daar is een hele volwassen redactie al maanden mee bezig om dat meer te zetten. En wij weten precies wat er aan de hand is. Alleen weten wij niet welke renner waar iets doet.

Matthijs
Nee, als je zegt we weten precies wat er aan de hand is, dat is niet waar, dat weet je niet.

Mart
Natuurlijk dat weet geen mens. Ik hoop alleen en dat hoop ik van harte dat de generatie die nu op een fiets zit zo slim is, om degene die nu nog vuil spel spelen, om die eruit te kieperen. Ik hoop dat ze zo slim zijn om dat te doen.

Matthijs
Hier spreekt een romanticus.

Mart
Wat is daar tegen?

Matthijs
Daar is helemaal niets tegen. Ik leef zelf ook in een romantische wereld. Maar de realiteit zegt iets heel anders.

Mart
Het is niet gegeven dat iedere renner vuil spel speelt. Dat is niet zo.
Het zou heel makkelijk en heel onterecht zijn om te zeggen ze doen het allemaal, dat is niet te bewijzen.

Matthijs
Als jij zegt er is nu een middel al 2 jaar in omloop, dat is het gerucht, ga jij nu alles op alles zetten om dat boven water te krijgen?

Mart
Hoe denk je dat ik dat moet doen?

Matthijs
Ik heb geen idee, jij bent de journalist in kwestie.

Mart
Nou daar zijn ze bij de NOS mee bezig. Daar hebben ze een hele mooie nieuwe afdeling research voor.

zaterdag 27 oktober 2012

Grebbeberg

Ik zag vandaag 2 keer de trein voor mijn neus wegrijden. Ik kon de grote gele mammoet aanraken, maar hij reed al. Hermetisch, onverbiddelijk en soepel als een danser. Er maakte zich Poolse paniek van mij meester. Ik ben koud een week in Holland, Polen zit nog op celniveau. Ik deed een paar hopeloze stappen met de trein mee, niet omdat ik dacht dat dat zou helpen, maar omdat lichamen zich nu eenmaal zo gedragen. Irrationeel copieergedrag. Een kip zonder kop die over het erf loopt naar de plek waar het water is, zich halverwege realiseert dat zijn kop op het hakblok is achtergebleven en in elkaar zakt.

De paniek bestond hierin dat ik vreesde voor een onzeker verloop. Een wachttijd van minimaal een uur. Informatie die half klopte. Treinen die uitpuilden. Een koud perron met een snijdende wind, omdat er niet was nagedacht over de hoek waaruit de Siberische golfstroom al sinds het begin der tijden over de steppen raast. Kortom een subtiele cocktail van onvermogen om het lijden van de mens te verlichten. Het botte idee, dat het lijden bestaat om geleden te worden en dat er geen lieve moedertje is om dat te verzachten. Fatalistisch sadisme. Sadistisch fatalisme. Gooi het maar in mijn pet. Een giftig goedje. Als Polen op Hollands grondgebied had gelegen had het water tot aan de Grebbeberg tegen het bos aan staan klotsen, dat is een waarheid als een koe.

Maar godzijgeloofdengeprezen ben ik in Holland. Ik ging op zoek naar de dienstregeling en zag opgelucht dat mijn herkansing binnen het kwartier al zou komen voorrijden. Wat een land.

Verliefd

Ze zit op de trap van het balkon van een dubbeldekker tussen Amsterdam CS en Haarlem. Ik sta bij de deur en kijk tegen haar op. Ze is de veertig gepasseerd, maar het meisje in haar is er nog. En ze is ontegenzeggelijk moeder. Haar gezicht is van fluweel, ze heeft niets van een furie met een castratiemes.
Zoveel wist ik voordat haar achterbuurmeisje, van ook al weer 23, dat bovenaan de trap wel een klapstoeltje had weten te claimen, begon te niezen. Geen schreeuwende nies zoals ze op de kermis doen of in verre ziekenhuisgangen, maar een ingehouden nies, een plofnies.
Bij de tweede nies, draaide de vrouw die mijn interesse had zich om, zei gezondheid en glimlachte. Maar daar bleef het niet bij. Opnieuw plofniesde het meisje drie, vier keer achter elkaar en opnieuw draaide mijn vrouw zich naar haar om om haar nogmaals gezondheid toe te wensen. Dit was geen zuinige natuur. Zo van 1 keer gezondheid wensen tegen een vreemde is wel voldoende. Nee, deze vrouw keek niet op een goede daad meer of minder. En weer draaide ze terug met een gouden glimlach, die ze gericht aan niemand in het bijzonder liet uitdoven. (Het was geen ordinaire toneelspeelster die applaus verwachtte van de omstanders. Nog een pré.)
Toen pakte ze haar telefoon en ging uiterst bescheiden een gesprek voeren op fluistertoon, waarbij ze haar mond bewoog als een diplomatiek vertegenwoordiger. Ingeleefd en afgewogen. Ze was niemand tot last.
En toen sloeg mijn fantasie op hol. Kwamen er Noord-Afrikanen van benedendeks haar met korte kromzwaarden bedreigen om geld, goed en eer af te geven. Ik sprong voor haar, scheurde mijn borst bloot en zei dan zul je eerst mij moeten openrijten, barbaren, steek mijn ribbenkas aan flarden, duistere woestijnbewoners, want ik zal niet toestaan dat gij het mooiste en het liefste voor mijn ogen schendt.
En dit was niet de eerste maar de dertigste vrouw op wie ik vandaag verliefd werd.

Om de vergane glorie

De oude vrouw is aan het afscheid nemen. Van de spullen in huis, de mensen in de buurt, haar lelijke eend die werkeloos op het tuinpad staat. Zij was een verzamelaarster. Hield ervan bij uitdragerijen en opkopers bandrecorders, pick-ups en typemachines op de kop te tikken. Een erfenis van een jeugd die door een oorlog werd geleend. 5 was ze toen hij begon en 10 toen hij was afgelopen. De waarde van het afgedankte kunnen inzien. Het onverdraaglijk vinden dat het weerloze aan zijn lot wordt overgelaten.
In het midden van de kamer staan meer dan 10 incourante apparaten.
Zwaar kwaliteitsspul, ingehaald door de tijd, klaar om op enig moment te presteren.
Trouwe overbodige dienaars.

Ze vraagt mij om te checken wat werkt. Op een Grundig bandrecorder ligt een spoel. Ik stop de vergeelde stekker in het stopcontact. Hij werkt. We horen een jonge vrouw zingen. Het geluid is slecht en zacht, maar dwars door een halve eeuw klinkt de stem van de vrouw, vrij, vrolijk en gelukkig. Plotseling begint de vrouw te huilen. Ik vraag ‘moet je huilen?’, zonder een antwoord te willen. Ze geeft geen antwoord. Even later zeg ik ‘waarom ben je verdrietig?’ Ze zegt ‘om de vergane glorie’. De broze oude vrouw herneemt zich en zegt ‘neem me niet kwalijk’. Ik zeg ‘nee, je hebt gelijk. Het verdwijnen van ieders jeugd is een groot onrecht. Hoe normaal het ook is. En hoe normaler het is, hoe onrechtvaardiger het wordt.’ Ik heb altijd de neiging te gaan ronken als ik niet meer weet wat ik moet zeggen.

Maar ik weet dat op datzelfde moment haar kleinkinderen, mijn kinderen, in Polen dansen door de dauw voordat ze naar school gaan. Ik moet haar dit vertellen, misschien dat dat beter is dan het poneren van tegeltjeswijsheden.

Vlieguren

In Warschau ontmoet ik een actrice. Ze is jong, mooi en getalenteerd. Ze is op TV geweest en heeft in de film gespeeld. Ook heeft ze een betrekking bij een gezelschap van het stadstheater van Wroclaw. Het eerste jaar mocht ze spelen, maar daarna kwam ze op de reservebank terecht.

De directeur is een stalinist, een procesdenker, die niet maalt om het welzijn van een actricetje meer of minder. Hem is gevraagd 10 theatermaagden aan te nemen en dat is wat hij heeft gedaan. Basta. Als die vermalen worden in de kaken van de kunstzinnige bureaucratie, zich verhangen, volvreten of gaan paaldansen, zal hem dat aan zijn rug roesten. The show must go on.

Er zijn acteurs die denken ‘het zal mijn tijd wel duren’, ze zijn geoefend in Zen. Accepteren elke rimpeling van het Lot met gelatenheid. Maar zij behoort tot een andere categorie. De tijd is haar vijand. Ze voelt het als haar plicht met haar talent te woekeren. Daarom maakt ze met collega’s van goede wil elke maand een korte film van 7 minuten. Camera, licht, geluid, regie, montage, iedereen doet gratis mee. Het resultaat plaatsen ze op het net. Omdat ze vlieguren willen maken. Zich niet willen laten kisten voordat ze gestorven zijn.

zaterdag 13 oktober 2012

Trein

In de eerste-klas-coupé zijn 6 pompeuze paarse would-be vliegtuigstoelen met een virusmotief als bekleding. Het zou kunnen dat agressieve kankercellen er zo uitzien als deze bekleding. Rood-oranje staafjes op een blauw-paarse achtergrond. Een ideetje van de vrouw van de president-directeur van de Poolse Spoorwegen die een cursus binnenhuisarchitectuur heeft gevolgd.
Aan het bagagerek een leeslampje dat te vies is om aan te raken, dat wel werkt, maar niet doet wat het doen moet. De lichtbundel lost op in het niets boven de lezer.
In het plafond TL-verlichting achter melkglas, regelbaar in 2 standen, 1 buis aan of 2 buizen aan, dat kringen onder ogen donker maakt en de huid bleek. Verder verwarming, een intercom en de noodrem met een dreigende tekst dat wanneer je eraan trekt als het niet nodig is, dat je dan wordt gestraft.

Het is een trein uit de jaren 50. Dit treinstel is zo vaak opgekalefaterd dat het in niets meer lijkt op de glimmende wagon van het eerste uur. De ijzeren wielen, de remmen, het onderstel, de buitenkant, alles is ooit vervangen, gezandstraald of overgespoten. Welke ijzeren kern heeft de tand des tijds doorstaan? Wie weet dat? Plaatstaal op staalplaat op plaatstaal op staalplaat bedekken roestgaten, waarachter het ijzer verpulvert. Als een zwerver die 10 kierende jassen over elkaar aan heeft. Het heeft niks meer van zichzelf.

De trein is een bejaarde die niet met pensioen mag. En het maakt hem ook niks meer uit. Of hij nog 50 jaar moet rijden of dat hij door een foute wissel van een viaduct stort.

woensdag 3 oktober 2012

Tsjechië

Ik woon op een steenworp van Tsjechië. De steen zou tegen een berg doodvallen, want er zitten wat verhevenheden tussen mij en Tsjechië, maar desalniettemin is de uitdrukking op zijn plaats.
We moeten naar Tsjechië want het hondenvoer is op. Dat kopen we altijd daar, want goedkoper. We rijden door de niksachtige, dove dorpen. Eerst in het chaotische Polen en daarna het aangeharkte Tsjechië. Het diepvries-communisme in Tsjechië heeft plaatsgemaakt voor een degelijk kapitalisme. Tsjechen houden niet van knoeien, dat zie je. Als je iets doet, doe het dan goed, moet de overtuiging zijn, dat straalt overal vanaf. Polen is veel meer een compromis-cultuur. Uit elkaar vallende hekjes, gaten in de weg, bermen die half zijn gemaaid. Polen zijn niet voorbereid. Het Noodlot heeft zoveel slagen voor Polen in petto dat het volk is gestopt met zich in te dekken. Het masochisme is hier koning.
Onze schuld, onze schuld, onze grote schuld. Polen is een wond. Tsjechië heeft pleisters.
Ik rij Tsjechië binnen met mijn zoons van 5 en 10. Wat moet een Nederlander in het midden van Europa met 2 poolssprekende kinderen in zijn auto? Deze keer worden we niet tegengehouden door de grenspolitie die soms nog controleert.
De dorpen zijn uitgestorven, alsof de huizen met hun ruggen naar de weg staan. Het zijn dorpen zonder eigenwaarde die klaar zijn voor annexatie. In het genetisch materiaal zit een bereidheid tot verkracht worden, de zinloosheid van verzet, het risico van het nekschot. Een ten hemel schreiende laconiciteit, een volstrekt gebrek aan ambitie.

Ik moet nog even Tsjechisch geld trekken en zie dat op de markt van het provinciestadje kermis is. Ik haal de jongens uit de auto, kermis kennen ze niet. Op elke kermis wordt altijd Una Paloma Blanca van George Baker en I've got the Power van Snap gespeeld, hier ook.
Ook hier dampende meiden en hitsige jongens. maar minder uitgesproken dampend en hitsig dan in de Lage Landen waar de brutaliteit geen grenzen kent. De attracties zijn iets aftandser dan in Nederland, maar minder aftands dan je in Midden Europa zou verwachten. Het zijn mini-uitvoeringen van draaimolens, cakewalks, schiettenten.
De jongen die de botsauto's regelt heeft een gouden gepommadeerde hanekam. Het is geen zelfhatende punker, maar een verzorgde jongen die zich zelfverzekerd over de botsautovloer beweegt. Zijn moeder? tante?, een kapotgerookte vrouw zit in het kassahuisje.
Het is niet druk op de kermis, maar er zijn genoeg mensen voor een sfeertje. Mannen komen met hun vrouwen de kermis op. Kapotte mannen met zwarte t-shirts die als een luifel zweven onder hun bierbuik. Ze komen de kermis op alsof het elke dag kermis is, zonder vertoon van opwinding. Professionele kermisvierders die nergens van onder de indruk zijn. De vrouwen zijn opgetogen. Ook zij zijn kapotgerookt en gezopen, maar ze lijken zichzelf nog in de hand te hebben. Zijn nog niet gecapituleerd voor een leven dat nooit zal veranderen.

Mijn zoontje van 5 wil niet met mij in de botsauto's. Die van 10 wil alleen. We kijken hoe hij het doet. Hij redt zich prima, krijgt boosaardige trekken in zijn gezicht en heeft er plezier in om anderen met volle vaart een dreun te geven. Ik maak me daar geen zorgen over. Integendeel, ik zie het graag. Het kroost moet weerbaar zijn. Ik wil mezelf zo snel mogelijk overbodig maken.
Het kost me geen moeite me voor te stellen hoe hij over een paar jaar auto zal rijden en ik me dan kan laten chaufferen. Heerlijk lijkt me dat. Als het is afgelopen vraag ik of hij nog een keer wil. Natuurlijk wil hij dat. De kleine blijft aan de kant zitten op de houten vlonders. Hij heeft ogen als zeesterren, is gefascineerd door ons, vergeet zichzelf.
Ik ga op de bijrijdersstoel zitten en laat me door de oudste rijden. Hij laat me alle hoeken van de botsautovloer zien. Ik wil het gezicht van mijn zoon zien en bespied hem van opzij, hij wordt niet graag geobserveerd.
Ik zie dat hij de verantwoordelijkheid aankan. Zeker en geconcentreerd.

Mot

AL Snijders was op de radio met een zkv, getiteld 'Bad'. Hij las het prachtig voor, maar de woorden waren ook prachtig, vooral de laatste. Hoe een moeder smacht naar het kijken door de ogen van de dochter. Snijders zit in zijn boerderij op 1100 kilometer afstand aan de telefoon voor te lezen. (Ik woon in het midden van Europa.) Die telefoon wordt via de radio vanuit Hilversum uitgestraald en bereikt mij via het internet. Als een bliksemschicht treffen de laatste woorden over het meisje mij als ik ontbijt maak voor een jong stel dat in onze Bed & Breakfast te gast is. En ik moet denken hoe komt dat toch, dat soms schrijven schrijven wordt? Dat de woorden plotseling opstijgen van papier, uit de radio, uit welke drager dan ook, als een kruisraket met een verwoestende kernkop uit een onderzeeër die zich losmaakt uit het water? Dat soms komt vast te staan dat al die andere woorden, tekst, zinnen voorbereidend geploeter waren om hier te komen. Bij het moment dat de tekst zijn droogte en zwaarte verliest en opstijgt naar het licht.

Het is geen sinecure hoor, schrijven. Wat u nu leest behoort tot de klasse van het geploeter. Maar je doet wat je doet, omdat je hoopt dat datgene wat je doet wordt wat het moet zijn.

Zo is het ook met leven, zingen, kijken en andere bezigheden. Je kunt het doen, maar dat betekent nog niet dat je ook waarmaakt wat je doet. Je blijft een eeuwige amateur totdat het tegendeel bewezen is. En wat je al helemaal niet moet doen is schrijven over schrijven, zoals ik nu aan het doen ben. Zoals een mot die probeert te verklaren waarom hij wordt aangetrokken tot de vlam. De mot moet verschroeien en niet leuteren daarover. Als de magie eenvoudig te vatten zou zijn, wat voor magie zou het dan zijn? Boerenmagie? Huis-tuin-en-keukenmagie? Ambtenarenmagie?

Magie is als wild in het bos. Het verschijnt als je het niet verwacht. En als je met je ogen knippert is het weg.

donderdag 20 september 2012

Damesblad

Ik heb een geitenstal. Het is een satelietgebouw, zo'n 50 meter van mijn huis.
In de geitenstal wonen geen geiten. Het is een opslagplaats voor van alles.
Geiten heb ik wel gehad, maar die waren gehuisvest in de garage die niet voor auto's werd gebruikt. 6 stuks, elke ochtend om 6 uur melken. 
Geiten zijn niet goed voor je ego, zoals een hond dat wel is. Ze geven niks, behalve melk en ze blijven alleen staan als je ze een hoek in drijft. Daar zit ook geen ontwikkeling in. Je zou zeggen na 100 dagen melken weet zo'n beest een keer dat verzet geen zin heeft, maar nee. Het ritueel herhaalt zich alsof het de eerste dag is. Ze willen niks met je te maken hebben. 
Ze vraten de bloemen van mijn vrouw op. En ze poepten op het speelplaatsje van de kinderen. En als je ze wilde aaien liepen ze weg. Maar ik hield vol want de kaas die ik maakte werd goed verkocht. Pas toen mijn vrouw op een dag begon over 'jouw geiten', toen ze weer een perkje hadden kaalgevreten, toen had ik het gehad.

In de geitenstal dus zonder geiten zit een knaagdier, geen muis of rat. Iets groters. Een bunzing of een steenmarter. Het heeft een nestje gemaakt in een verhuisdoos met boeken. Het nestgoed bestaat uit papiersnippers. Het beest zal toch niet van de verscheurde werken van William Shakespeare een broedplaats hebben gemaakt? Ik pak een handje snippers, waarbij ook fotonegatieven, kussenvulsel, kindertekeningen, stukjes stof, piepschuim en uitwerpselen zitten. Ik lees de woorden 'dieet', 'glamour' en de zin 'wat past het best bij Stilton? Port.' Er valt een last van mijn schouders. Het beest heeft een damesblad vermalen. Een prima idee!

Alles van waarde

De dagen worden kouder en korter, er moeten wat planten de grond in.
Mijn zoon van 5 helpt. Ik voel hoe hij eerst nauwgezet observeert hoe ik de schop in de grond steek en het dan zelf wil doen. Hij staat op de schop en springt erop, maar de schop gaat niet de aarde in, want hij is te licht. Hij verliest zijn evenwicht en begint onverstoorbaar opnieuw.
Ik leg hem uit dat het mij wel lukt omdat ik simpelweg zwaarder ben. Geen verdienste. Toch probeert hij het weer. Hij heeft een onvoorwaardelijk geloof in wat ik doe. Mijn geloof in mijzelf is heel wat minder onvoorwaardelijk, maar dat laat ik niet merken. Ik wil zijn droom niet verstoren en voeg me naar het beeld dat hij van me heeft. Ik maak de eerste kuil en zeg hem dat hij met de schop nu de kantjes kan afsteken. Dat zal makkelijker gaan. Hij probeert en het lukt. Hij gooit de aarde ver weg van het gat om zijn voldoening kracht bij te zetten.
Het is de onvoorwaardelijke onvoorwaardelijkheid waarmee het kind de ouder vertrouwt. Alles wat van de ouder komt is goed. Zelfs de dood. Deze onverdraaglijke waarheid. De kracht van de weerloosheid zit hem in de ogen waarin de ouder zich weerspiegeld ziet. Een radeloze blik. Wat doe je nou? Ik hou toch van je? Onverdraaglijk dit vertouwen dat op niets gebaseerd is te beschamen. En daarom pompen we onszelf vol met lucht tot omnipotente ouders die zogenaamd van alles verstand hebben.

Zullen we passen, zegt de zoon. Ik knik. Hij pakt de hortensia met de kluit en laat hem in de aarde zakken. Hij past.

donderdag 13 september 2012

Regen

Het regent. Nee, het regent niet. Het hoost. Na 2 maanden droogte. De stoffige grond is ondoordringbaar. Het loopt, nee, het rent in stromen, in voren omlaag. Pas na een tijdje zal de aarde doorlaatbaar worden en het water opnemen.

Een zeeman doet na 2 jaar varen zijn voordeur open. Alles in huis is versteend. Tot stilstand gekomen. Zijn vrouw heeft op hem gewacht. Ze was vergeten hoe hij rook. Hij is ouder geworden. Als ingedroogd fruit. Ze wil dat hij vertelt. Maar hij heeft niks te zeggen. Twee jaar weg, hoe vertel je dat? Waar moet hij beginnen? Ze kijken elkaar aan. Ze herkennen elkaar. Ze hebben elkaar geschreven. Maar dit is anders. Hij heeft geschreven naar een ander dan degene die tegenover hem zit. En toch moet ze de ontvanger van zijn berichten zijn, daar is geen twijfel over mogelijk.
Als hij haar aankijkt ziet hij de middagen die zij voor het raam stond, uitkijkend over zee. Ze is nog niet aan zijn gezelschap gewend. De stilte van de kamer, de stilte van het hele huis zijn nog in haar. Zij is een zwijgen geworden. Alsof ze electrisch geladen is. Zelf zegt ze niks. Ze wil hem zien praten. Haar lichaam wankelt. Elke keer als hij terugkomt is het alsof hij is opgestaan uit de dood. Alsof hij opnieuw geboren wordt. Alles begint opnieuw. Maar het is een geboorte waar zij een herinnering aan heeft. Ze zoekt steun bij de muur. Die is koud. Dat vindt zij bemoedigend. Zij besluit hem met rust te laten. Hij is op de plek gaan staan, haar plek, waar zij naar hem zocht ver achter de horizon. Hij zoekt zichzelf. Zoals zij hem zocht. Er liggen 2 tankers voor anker. Het raam is vies. Hij wil wat eten.

Het regent. Het gutst uit de dakgoten. Er slaat een waterval langs de muren.
Het gras dat een afschuwelijke dorst gehad moet hebben zet van blijdschap een gifgroene kleur op.

donderdag 6 september 2012

Censuur

[Krzysztof Kieślowski (filmregisseur 1941-1996) is door de censor in het gebouw van de Staatstelevisie uitgenodigd om te praten over zijn nieuwe film De Rust (Spokój (1976)).
De uitnodiging is op zichzelf al een garantie dat er in de film gesneden gaat worden. De vraag is alleen wat de censor eruit wil halen. Het blijkt te gaan om de scène waarin de protagonist die net is vrijgelaten uit de gevangenis op zijn werk, een bouwplaats aankomt bij andere arbeiders die ook in de gevangenis hebben gezeten.]

Censor
Helaas moet u die scène schrappen want er bestaat een Internationaal Verdrag dat zegt dat het verboden is gevangenen in het publieke domein te werk te stellen.

Kieślowski
U kunt het schrappen of niet, maar kijkt u nu eens uit het raam. Kijkt u eens naar de trambaan. Wat ziet u daar?

Censor
Ik zie het.

Kieślowski
Werken daar mensen? Wat zijn dat voor mensen?

Censor
Gevangenen.

Kieślowski
Inderdaad, gevangenen. Dus het is niet waar dat het niet is toegestaan dat gevangenen op straat werken. Ze werken in het openbaar, dat ziet u zelf.

Censor
Natuurlijk zie ik dat met mijn eigen ogen en dat is precies de reden dat ik wil dat u die scène schrapt. Omdat het gevangenen in Polen niet is toegestaan in het publieke domein te werken. Want dat verbiedt het Internationale Verdrag.

Kieślowski
Maar ze werken dat kunt u buiten zien.

Censor
Natuurlijk zie ik dat en daarom moet u ze eruitknippen.

woensdag 5 september 2012

Indien dat mogelijk was

In de Schoollaan in Bennebroek woont een man die in Jezus gelooft. Op zijn voordeur staat 'Jezus redt'. Hij doet in antiquarisch ijzer: hekjes, tafeltjes, gereedschap, een riksja, een tractor. Alles staat uitgedragen op straat.
Ook al gelooft hij in Jezus, aardig is hij er niet van geworden. Het is een hoekig type, hij is op zijn hoede.
Hoeveel moet die tractor kosten, vraag ik. Wat heb je er voor over, vraagt hij. En daar stopt het, want ik zie mezelf nog niet op de tractor terugrijden naar Polen.
Ik doe een stap zijn winkel in die geen winkel maar een werkplaats is. Op de deur hangen oude emaille bordjes.
Op een bordje staat

Verhoogt
de
Eieropbrengst

Dirk Das

Utrecht

HOENDERMEEL

Ik vraag wat moet dat bordje kosten. Hij zegt wat heb je er voor over. Ik zeg 15 euro. Hij zegt vroeger hing er nog een ander bordje onder. Daar stond op

Met hoendermeel van Dirk Das zou
indien dat mogelijk was
de haan
nog eieren leggen gaan.

Hij zegt dat hij over mijn bod moet nadenken. Terug in de auto schrijf ik de tekst van het bordje dat er niet meer hangt snel op een papiertje.
Ik zie dat indien dat mogelijk was overbodig is.

dinsdag 4 september 2012

Hoertjes

Ooit schreef ik een stukje, eigenlijk een dialoog, omdat ik het leuk vond om het in Polen te pas en te onpas gebruikte woord 'kurwa' te illustreren. Kurwa betekent hoer en de uitspraak is koerva. Een beetje man, een Poolse macho, zo een die loopt alsof hij een scrotum van 6 kilo tussen zijn benen heeft hangen met zwaaiende armen, een kaal hoofd en een dikke buik, zo een, doorspekt zijn zinnen met het woord koerva. Maar Pools machoisme manifesteert zich ook in andere mannetjes die er minder stereotype uitzien. Qua gebruik is het equivalent aan het Nederlandse woord 'kut', een uiting van ongenoegen. Alleen dan in het kwadraat. Gebruikt een Nederlander 2 keer 'kut' in een zin, dan gaat een Pool daar ruim overheen en is in staat 4 keer koerva te gebruiken. Ook hoeft het geen ongenoegen uit te drukken, maar het kan ook een positieve spanning uitdrukken die bij een persoonlijke overwinning hoort. Als iemand de loterij heeft gewonnen zal hij ook niet zuinig zijn met het rondstrooien van het woord koerva. En nog in andere gevallen. Het woord koerva vindt overal en altijd wel een toepassing voor de stoere gebruiker.

Van mijn blog worden statistieken bijgehouden van bezoekers. Mijn stukje over koerva is de barnburner van al mijn stukjes. Ik kan ook zien wat mensen zoeken voordat ze op mijn dialoog landen: 'poolse hoer', 'kurva', 'kurwa', 'betekenis kurwa'. (Mensen uit Heemstede die hun huis laten verbouwen en links en rechts de hele tijd maar koerva horen, en mensen met andere motieven.) Het stukje heeft 1891 pageviews, terwijl het eerstvolgende in de ranglijst er 135 heeft.

Ik heb gemengde gevoelens over het succes van het stukje. Want elke dag kom ik weer het woord 'kurwa' tegen. Het perst zich door de pixels van mijn beeldscherm heen. Tussen alle literaire pretentie zit er altijd wel een hoertje. Het is net het echte leven.

(Ook dit stukje zal weer hoger scoren dan het waard is, omdat er veel hoertjes in voorkomen.)

zondag 2 september 2012

Hoop

Ik rij op de snelweg tussen Polen en Nederland. Achter mij is plotseling een open Mercedes met twee grijze hoofden erin. Als een steekvlieg zit de wagen even later naast me. In de bijrijdersstoel zit een vrouw van 75 met wild wapperend haar en een gezichtsuitdrukking alsof ze tegen een bord koudgeworden bejaardentehuissoep zit aan te hikken. Alsof ze al een eeuwigheid in de bijrijdersstoel van een Mercedes convertible zit, verveeld en leeg.
De steekvlieg schiet nu voor mij, en drukt zwarte dieseldamp uit de uitlaat.  
Dan zie ik in de roetmist de rechterarm van de vrouw omhoog gaan. Gestrekt tegen 140 kilometer per uur.
Als een demente bejaarde die na 3 jaar zwijgen plotseling 'Jezus Christus was de flikker van Johannes de Doper' uitroept terwijl iedereen in stilte zijn gele vla naar binnenlepelt.
Er is nog hoop. De arm van de vrouw probeert te genieten.

vrijdag 31 augustus 2012

Afweging

Het is een zonnige dag. Ik ga met mijn zonen een wandeling maken. Er is een klein jongetje van de leeftijd van mijn jongste te gast. Hij wil mee. Vraag maar aan je ouders of het mag. Het mag. Een minuut voor vertrek staan zijn ouders ook voor mijn neus met rugzakken en bergschoenen aan. Ik vermoed wat de bedoeling is, maar denk nog steeds dat ze samen een andere kant op zullen gaan. Ik vraag wat de bedoeling is. Ik krijg een ontwijkend antwoord, zoiets van we moeten dezelfde kant uit. Ik ken dit Poolse gedraai en vraag op zijn Nederlands, dus jullie gaan gewoon mee. Nu komt pas het hoge woord eruit dat het jongetje toch liever met zijn ouders wilde.
Ik ben dus verneukt, want ik wilde met mijn eigen jongens gaan wandelen, eventueel aangevuld met een 'vriendje'. Maar om 5 uur lang conversaties te moeten voeren met ongewild gezelschap, dat was niet de voorstelling die ik gemaakt had van een ontspannen bergwandeling. Hoe red ik mij hieruit? Wat zou u doen?

1. U besluit uzelf over uw afkeer heen te zetten en het gevoel dat u wordt gemanipuleerd. U zet de tering naar de nering. U probeert de goede eigenschappen van uw gesprekspartners te ontdekken en samen te werken. De ouders zijn uw gasten en u wilt een goede review op booking.com.

2. U verzint een list, maakt niet uit welke, om uzelf uit deze situatie te draaien. U houdt vast aan uw koers. U wilde wandelen met uw zoons, niet met overbezorgde ouders die er overbezorgde gewoontes op na houden en die overbezorgd gedrag hebben waar u 5 uur lang naar moet kijken en die voortdurend overbezorgde dingen zeggen waar u zich toe moet verhouden. De ouders zullen nooit weten of uw afhaken en rechtsomkeert maken na 1 kilometer omdat u zei dat u een noodtelefoontje had ontvangen van uw vrouw, op waarheid of leugen berustte.

3. U hakt met de botte bijl. Even bot als de ouders voor uw neus staan, zegt u dat dit niet de afspraak was. U gaat met uw eigen zoons eventueel aangevuld met hun zoon, of u blijft thuis. Aan hen de keuze. De ouders zullen zich beledigd voelen, hoewel zijzelf de beledigers waren door u in een situatie te plaatsen waar u geen keuze werd gelaten.
U krijgt een slecht punt op booking.com waardoor het gemiddelde omlaag wordt gedrukt.

vrijdag 24 augustus 2012

In het gras zitten

Facebook is als de hemel (deze vergelijking heeft Karst Woudstra bedacht). Je komt plotseling mensen tegen die je jarenlang niet hebt gesproken. Het is een mooi informeel instrument om banden met mensen aan te halen die je de moeite waard vindt. Ooit raakte ik bevriend met een Georgiër in Moskou. Ik was daar met mijn regieklasje op stage (een uitwisseling) aan de Moskouse Toneelschool (ГИТИС) tijdens de Russische Dooi in het voorjaar van 1992. (Jeltsin op een tank voor het Parlementsgebouw, chaos, het verlangen naar een strakke hand.)
Ze woonden in een Komunalna, een gedeelde verdieping (gedeelde wc, douche, voordeur) met een aantal andere gezinnen in de Fadeevastraat. Aanvankelijk bleek de buurman bereid mij zijn kamer af te staan. Hij zag blijkbaar het belang in van het Westerse bezoek. Twee dagen later zag hij dat belang niet meer in en kwam ik te liggen in wat ik dacht dat een woonkamer(tje) was. Later bleek dat we met zijn drieën waren. En dan was daar nog de Georgische moeder van mijn vriend, een oude vrouw met toverkracht. Ze deed aan koffiediklezen. Ik kreeg van haar een zwarte kraal tegen het boze oog. Waar zij sliep is mij een raadsel.

Op een van de laatste avonden kwam de onvermijdelijke zuippartij. Bij mijn vriend kwam er een boel pijn naar boven (Georgiërs zijn allochtoon in Rusland) en hij begon met stoelen te gooien en koffers van de kasten te trekken. Als ik nuchter was geweest zou dit tamelijk onaangenaam zijn overgekomen, maar ik had hele andere dingen aan mijn hoofd. Ik kan slecht tegen drank en ben na 3 borrelglaasjes wodka al starnakel, om maar te zwijgen over als het met limonadeglazen tegelijk voor je wordt neergezet. Je wil de vrolijke stemming niet bederven, dus vecht je met je maag, die zoekt naar een gelegen moment om het vergif eruit te gooien.

De 3e persoon was een neef van mijn vriend en arts. Zonder patiënten waarschijnlijk, want ik heb hem niet zien werken. Op een andere avond kwam zijn vriendin, niet zijn vrouw, die zat in Georgië. Ze bleef bij hem slapen in zijn eenpersoonsbed. Toen ze dachten dat ik in slaap was gevallen begonnen ze de liefde te bedrijven op een halve meter van mijn hoofd. Ik besloot te doen alsof ik sliep, wie ben ik om iemand zijn genoegen te misgunnen. Het ging er heftig aan toe, een pornofilmregisseur had er nog een puntje aan kunnen zuigen. Af en toe draaide ik me om alsof ik een nachtmerrie had en kreunde en smakte wat. De twee versteenden, ik hoorde wat gefluister, maar even later hervonden ze hun ritme en naaiden dat de stukken eraf vlogen. Toen ze klaar waren vielen ze in slaap en ik ook.

Een half jaar later kwamen de Russen naar Amsterdam. Mijn vriend sliep bij mij op de 2e Oosterparkstraat. Het minste wat ik kon doen voor mijn vriend was hem op een avond uitnodigen in mijn ouderlijk huis in Heemstede. Ik heb daar voor het eerst op het gras gezeten. Hij deed dat en uit beleefdheid volgde ik zijn voorbeeld. Het is niet prettig om met je blote benen in het gras te zitten. Het prikt en er lopen beestjes je broekspijpen in.

En zo druppelen de herinneringen binnen als je in gesprek raakt met iemand die je in de hemel tegenkomt.

woensdag 22 augustus 2012

Ongeluksverslaving

Zoals altijd in de zomer zijn er zomeravondfeestjes. Het geld rolt, het weer is goed, niemand is verkouden. Verschillende locaties, dezelfde mensen.
Het gaat zo. Ik raak aan de praat met een Pool die ik wel ken uit het feestjescircuit, maar niet meer dan dat. Hij is in een goeie stemming, de drank vloeit, het is tijd voor confidenties.
De standaardvraag is 'Hoe vind je het hier?' Mijn standaardantwoord is 'Elk nadeel heeft zijn voordeel' of 'Elk voordeel heeft zijn nadeel', afhankelijk van hoe de avondwind langs mijn broekspijpen strijkt.
En dan begint Het Grote Verontschuldigen. Altijd. Wie je ook spreekt. Dat het niet aan Polen ligt, maar aan de Geschiedenis. Dat het niet aan de Mensen ligt, maar aan de Staat. Dat het niet aan de Producten ligt, maar aan de Kok. Dat het niet aan de Opvoeding ligt, maar aan de Scholen. De gesprekspartner verandert steevast in een ambassadeur voor zijn land. De gesprekspartner wordt zijn land. Het eindigt altijd in een doorzopen, ongemakkelijke, statusquo-erig gejengel in de trant van 'we moeten niet klagen, maar we doen het toch'.

En altijd, altijd gaat het alleen maar over Polen. En nooit, nooit zal men vragen naar de geheimen van de vrijheid -een beproefde receptuur- die in de Lage Landen in ruime mate door de Westenwind worden gefluisterd.

maandag 13 augustus 2012

Mij is niets

Ik sta op.
Koffiekop.
Ordelijke geluiden zijn te horen.
Mijn voetstappen, de nevel van een broek die ik aanschiet,
Een metalen lepel op een metalen aanrecht, gaspit.

De anderen slapen nog.
Ik zit, de stilte keert weer.
Ik luister.
De rust van het graf alsof alles voorbij is.

Mij is niets.
De zon is op. De bomen groen. De lucht blauw.

Mij is niets.
Ik moet mij haasten, voordat er van mij niets over is.

dinsdag 7 augustus 2012

Wind en water

Er logeert een acteur in mijn Bed en Ontbijt. Een acteur is iemand die handelt. We zijn bevriend, we hebben samen wel eens wat gedaan. Iets met iemand gedaan hebben betekent in artiestenjargon dat je met iemand iets artistieks gedaan hebt.
Hij kijkt uit over het dal en zijn blik blijft haken aan een grote berg hout, ons stookgoed voor de winter. 'Volgens mij ligt die hoop daar niet goed, niet volgens de regelen van Feng Shui'. Feng Shui betekent Wind en Water.
Ik vind dat hij gelijk heeft en ik vraag wat hij zou doen om het hout in harmonie te brengen met de wind en het water. 'Uit het uitzicht, de blik moet vrij kunnen dwarrelen', zegt hij. 
Feng Shui of niet, acteurs zijn sensitief. Dat is iets anders dan gevoelig. (Hij heeft natuurlijk door dat de hoop hout de katafalk is van mijn onvermogen, de ostentatieve getuigenis van mijn twee linkerhanden. Een hoop radeloosheid die de blik vertroebelt, maar die door iedereen gezien moet worden.)
Hij zegt dat hij op zoek is naar een bezigheid, iets fysieks, dat hij mij graag wil helpen de stapel te verplaatsen naar achter het huis of zo. Ik bedank hem voor het aanbod.
Maar wind en water of niet, ik word al moe bij de gedachte aan het verplaatsen van het hout. Als het goed is is volgend voorjaar de stapel vanzelf weggesmolten samen met de sneeuw. Je moet sommige fouten niet willen oplossen. De wind-en-water-fout wordt opgelost door het vuur.
Nu nog een opdracht voor de acteur. Een stukje maaien misschien?