zaterdag 30 juni 2012

De koffer

Ik word afgehaald van het station. Bij het kruispunt van de Zandvoortselaan met de Heereweg, realiseer ik me dat mijn koffer nog in de trein staat. De trein is allang doorgereden en aan het afremmen voor Hillegom. Ik weet niet wat er in de koffer zit. Dat kan ik me niet herinneren. Sokken en boeken, zoiets. Maar misschien ook wel iets anders. Iets belangrijks. De koffer was niet nieuw, al weet ik niet meer waar ik hem gekocht heb. Ik zal hem wel cadeau hebben gekregen, ik was vorige week jarig. Naar Den Haag CS scheuren heeft geen zin. Het station bellen, naar wie? Het is avond, wie werkt er nog? Een halvegare perronwachter die op zijn horloge zit te kijken. Het is een blauwe koffer, een zwarte koffer, met wieltjes eronder, van die metalen ronde dingen, kogels, geen wieltjes. Hij is afgewerkt met van die metalen, plastikken doppen, noppen, spijkers, je weet wel van die koppen, schroefdoppen. Hij is veel lichter dan hij eruit ziet en helemaal voor wat erin zit. Wat er in zit? Boeken, boekjes, tijdschriften, nee geen boeken, 1 boek en een foldertje en voor de rest oude kleren, gedragen kleren die in de was moeten.
En er zat nog iets in. Ik kan er niet opkomen wat het was. Ik heb het er vanmorgen nog ingestopt, gisteravond, dat weet ik zeker. Het was zo belangrijk dat de koffer niet dicht wilde. De koffer was loodzwaar. Niet te tillen. Ik had hem op het balkon gezet. Hij viel om bij elke beweging van de trein. De koffer had een verhoogd zwaartepunt. Op een gegeven moment had ik zo genoeg van het omvallen dat ik in de coupé ben gaan zitten kletsen. Dat doe ik normaal nooit, maar er waren een paar gewillige wildvreemden die maar al te graag met mij wilden kletsen. We kletsten dat het een lieve lust was, mijn oren vielen bijkans van mijn schedel van het onbehoorlijke getetter. Het ging totaal nergens over, maar we gingen steeds luider kletsen, we schreeuwden de hele coupé bij elkaar. Totdat degene tegenover me zei 'dit is toch jouw halte? Ik keek uit het raam, Heemstede-Aerdenhout. Ja, bedankt en ik nam een snoekduik het perron op. Tevreden rende ik de trap af, dat het toch allemaal gelukt was, terwijl mijn oren nog nasuisden van de kletspartij. De ramen stonden open, ik kon ze horen lachen. Ja, lachen jullie maar. Het is een verademing om in de auto te stappen, het is een benauwde avond, de limousine beschikt over geavanceerde klimaatbeheersing. Mijn afhaler is de rust zelve en ook dat is een verademing na het idiote geklets van daarnet. We zoeven over de Zandvoortselaan. Dit lijkt wel een vliegtuig. Jezus, wat heb ik een dorst.

donderdag 28 juni 2012

Hemels

Mijn buurman is een oude man met een grijze baard. Hij woont in een kapitale villa bovenop een berg. Het is een frisse oude man, de frisheid van iemand van 30, geen kilo teveel, hij ruikt naar naaldwoud en sinaasappels. Hij moet de honderd zijn gepasseerd.

Elke week krijgen we van hem een mand fruit, groente, vlees en noten.
We wilden hem iets teruggeven, maar dat accepteerde hij niet. Hoe wij ook aandrongen. Hij vroeg ons te doen als hij. Als je iets terug wilt doen, geef dan iets van jou aan een ander. Ik hoef niks te krijgen, ik heb alles al. Dat deden wij. Maar op een gegeven moment waren wij door onze oude kleren heen, we hadden geen moestuin zoals hij, en stopten onze giften aan arme sloebers beneden in het dorp.

En hij ging maar door met geven. We konden onszelf niet anders zien dan als beesten die zich stortten op al dat lekkers en het zo snel mogelijk opvraten.
Het maakte ons radeloos. Tot we ons op zekere dag zo schaamden, toen we hem met een volle mand verse heerlijkheden zagen aankomen, dat ik naar buiten liep en hem vroeg om zijn handeltje weer mee te nemen. Sorry, we kunnen het niet meer aannemen, we voelen ons er enorm ongemakkelijk bij. Hij zei dat dat niet hoefde, dat voor hem het juist plezierig was om te kunnen geven. Het eindigde met dat ik hem bedankte voor zijn generositeit, maar dat we echt een pauze moesten inlassen. Dat respecteerde hij, maar hij keek er zeer verdietig bij en hij keerde huiswaarts.

Weken gingen voorbij. We merkten dat ons besluit onze schaamte had opgelost, maar gelukkiger werden we er ook niet van. Het gezicht van de oude man toen we zijn giften afwezen, bleef ons achtervolgen. En langzamerhand werd ons duidelijk dat dit toch ook niet de oplossing was. We kregen een idee. Als we het eens zo zouden doen: we zouden datgene uit zijn mandje accepteren dat we konden aannemen om hem een plezier te doen, meer niet.
Elke bes, elk stukje groente, elke noot zouden we, terwijl we aten, opdragen aan hem, zou dat niet werken?

En alsof hij gezien had wat we hadden bekokstoofd, stond hij de volgende dag voor onze deur. Ik stelde hem voor wat wij hadden bedacht en hij begon te stralen van oor tot oor. Dus ik nam wat we konden accepteren en de rest nam hij mee terug.
Hoe het kwam snapten we niet, maar alles leek veel beter te smaken, fruitiger, voller, dieper. Hemels.
Het bleek een gouden greep, weten hoe te ontvangen.

dinsdag 26 juni 2012

Burgerlijkheid

Toen ik nog in een voorstad woonde in Nederland verbaasde ik me altijd over mensen die een postzegel gras maaiden. Hadden ze eindelijk de kans om de natuur welig te laten tieren, maakten ze er een modelgazon van, jammer vond ik dat.
Ik had in de Bollenstreek ook een postzegel, kocht een zakje met veldbloemenzaadjes en strooide het over de vierkante meter die van mij, lees van de bank, was. De buren, die het begrip burgerlijkheid hadden uitgevonden, waren not amused met dit stuk natuur voor hun deur.
Hier volgt mijn definitie van burgerlijkheid. Burgerlijkheid is volledig gericht zijn op wat anderen van je denken en dat maken tot leidraad van je leven. Daarom is het zaak om met de snelheid van het licht aan de weet te komen, wat de buren doen en denken. Hiervoor bouw je je raam vol met planten of sierpotten, altijd in paren, zodat je de straat onafgebroken kunt observeren. Wie komt er langs, waar gaat die naar toe, wat heeft hij bij zich, zijn er afwijkingen, hoe ziet die eruit, hoelaat enzovoorts, om zo te kunnen analyseren hoe de stand van zaken is. Kennis is macht.
Altijd als ik eraan kwam zag ik voor de ramen naast mijn huis lichamen wegschieten als vissen in een kom, of misschien heb ik me dat verbeeld.
Een ander kenmerk van burgerlijkheid is dat jij al 10 minuten eerder geobserveerd bent dan dat jij die ander gezien hebt. Blijkbaar vind ik andere dingen belangrijk, want in mijn oude buurt werd ik voortdurend aan het schrikken gemaakt. Buurman stond achter een struik: 'Goedemorgen' of geleund op een hek 'Goedemiddag' of Buurvrouw hangend uit een raam 'Dag Schatje' en elke keer schrok ik me te pletter, ik voelde me beslopen en een vette glimlach met kunsttanden was mijn deel.
Al snel voelde ik het etiket van verstrooide professor op mijn voorhoofd kleven, nee één van hen zou ik nooit worden, maar zij hadden er een leuke attractie bij. Als ik in mijn andere betegelde postzegel aan de achterkant van mijn huis mijn band plakte, en het lukte niet, dan hoorde ik in mijn nek de buurman die zei:'wil je een echte fietspomp lenen dan?'

Dus toen ik in Polen opeens geen buren meer had en geen postzegel maar 20 voetbalvelden kon ik mijn gras zo hoog laten groeien als ik wilde. Maar ik moet de oude buren nageven dat hun aversie tegen laisser-faire nu perspectief heeft gekregen. Je moet op een gegeven moment ruimte scheppen in de woekeringen rond je huis. Een paadje hiernaartoe. Een weggetje daarnaartoe. Dus kappen, snoeien en maaien moet.
Maar een modelgazon zal het nooit worden. De natuur is geen kapsalon.

zondag 24 juni 2012

Tijgerleeuw

We hebben een tijgerleeuw. Hij is nog jong, 1 jaar oud. Hij loopt door ons huis. Achter ons aan. We hebben ook een baby. Die negeert hij meestal. Ik speel wel eens met de tijgerleeuw. De grip van zijn klauwen wordt steeds steviger. Wat eerst een leuk spelletje was, is nu behoorlijk pijnlijk geworden. Mijn handen en bovenarmen zitten onder de krassen van zijn nagels. Ik vraag wanneer hij gegeten heeft. Mijn vrouw zegt dat ze het niet precies weet. Ik zie dat hij de baby met zijn klauw wegduwt. Dat bevalt me niet. Ik wil hem opsluiten, maar dat lukt niet. Deuren staan op een kier of zijn zonder slot. Over andere afscheidingen springt hij heen. Hij wil bij ons zijn. Hij laat steeds vaker zijn tanden zien en rolt met uitgestrekte klauwen midden in de kamer over de grond. Ook zijn geur begint sterker te worden. Het hele huis is ervan vergeven. Het is niet mogelijk het beest te ontlopen. Hij is overal. Hij laat zich niet opsluiten. De deuren hebben geen sloten. Als hij ziet dat ik mijn hand op de klink leg om een deur dicht te doen, rent hij op me af en glipt snel door de kier heen. Hij is razendsnel. Hij zit in een hoek van de kamer en observeert ons. Als een van ons opstaat, staat hij ook op een escorteert je. Een keer lukt het ons hem op te sluiten in de bijkeuken, we zetten een stoel tegen de klink. Hij merkt dat de deur niet open wil en begint als een bezetene rond te rennen, vervaarlijk te grommen en de jassen van hun haken te rukken, de schoenen te verscheuren.

Dit kan zo niet langer. We bellen de dierentuin. De dierentuin zegt dat ze geen plek hebben voor een tijgerleeuw. Wel voor een leeuw. Wel voor een tijger. Maar niet voor een mutant. We hadden nooit een tijgerleeuw moeten nemen. Geen leeuw, geen tijger en helemaal geen tijgerleeuw.

Ergens anders in Europa gaat een vrouw naar bakker van Vessem in Aerdenhout. Er is geen plek voor een SUV. Wel voor een Mini. Wel voor een Fiat. Maar niet voor een stadsjeep. We hadden nooit een SUV moeten nemen. Geen Mini, geen Fiat en helemaal geen SUV. Er staat niemand op de invalideparkeerplaats. Ze duikt erin. Ze haalt haar dokterskaart tevoorschijn en legt die op het dashboard. Aerdenhout is een reservaat voor gesedeerde wilde beesten en ander voetvolk, denkt ze, voordat ze een nummertje trekt.

vrijdag 22 juni 2012

Geen land

Ik ben met mijn zoons van 10 en 5 in het zwembad. Ze zetten de boel op stelten. Nederlands bloed. We worden gedoogd.
Veel zwembaden in Polen zijn ziekenhuisbaden. We zijn omgeven door patiënten met uitgezakte lichamen bijeengehouden door een badpak van elastiek, zoals een varkensdarm gehakt. Trage lijven die nooit een degelijk Nederlands Zwemdiploma hebben gehaald. Het is geen zwemmen, meer een weerloze vorm van drijven, dobberen, boven blijven. Een serieuze aangelegenheid.
Ja, dit is geen land van vaarten, dijken, vlieten, sloten, watertjes. kanalen, taluds, keringen, beekjes, werkeilanden, kreekjes, stroompjes, vijvers, plassen, rivieren en vennen. En van drie zeeën. De Noord-, de Wadden- en de Zuider-.

donderdag 14 juni 2012

Maffia

'Het is een Staat in de Staat', zeggen ze hier over Staatsbosbeheer (= Lasy Państwowe). Ik woon in een gebied waar bomen als paddestoelen uit de grond schieten. Om de wegen begaanbaar te houden is grof geschut nodig. Kettingzagen, houtversnipperaars en onderbetaalde werkers, horigen.
Boswachters rijden in gelikte terreinwagens, wonen in prachtige huizen op prachtige locaties. En ze mogen met pensioen als ze 50 zijn.
Pas geleden kwam ik erachter waarom het hen zo goed gaat.
Voor elke hectare bos stelt de Europese Unie een bedrag voor onderhoud beschikbaar. De kaste der boswachters verdeelt de staatsbossen onder elkaar in pacht. Slawek krijgt 150 hectare. Janek die iets beter ligt bij de Opperfeldwebel krijgt 200 hectare.
Het pachtbedrag is peanuts, het bedrag van de Unie is big bucks.
Het onderhoud laten ze doen door de onderkaste van zich kapotzuipende en rokende have-nots, lijfeigenen. Het feodalisme leeft! En zo stroomt het geld binnen. Zonder dat andere burgers een kans hebben gekregen om wat bos te pachten, omdat alle wouden onderhands werden verdeeld.
En deze maffia zorgt ervoor dat ons dorp zich niet kan ontwikkelen, omdat ze weigert toe te staan dat er wat bos wordt gekapt voor een skilift die ons dorp verbindt met het skigebied aan de andere kant van de berg. Dat bos heeft Jurek namelijk in pacht. En zo houdt een kwaadaardige boskabouter gedekt door een kwaadaardige club trollen de ontwikkeling van een heel dorp al jaren tegen.
Het wachten is op een Russische oligarch die de regionale leenheer zoveel dollars laat zien dat zijn familie tot in het tiende geslacht in een bad van goud kan zwemmen. Alleen zo kan de ban gebroken worden. En dan rijst de vraag wat die oligarch daarvoor van de locale ondernemers terugverwacht. Want hier gelden natuurlijk Slavische spelregels.
Ook al plak je er het etiket van democratie op.

Wereldkampioen

De boer heeft zijn boomgaard volstaan met motorkappen omdat hij graag autohandelaar zou zijn. De pastoor slacht zijn varkens op de binnenplaats achter de sacristie. Het beest wordt gratis verwerkt door de beenhouwer voor een aflaat.
De pastoor eet elke winter een varken op. Het woord is vlees geworden. Ouders van kinderen die zich voorbereiden op de eerste communie maaien zijn gras en kwasten zijn kozijnen.
De enige winkel van het dorp, een hangplek voor mannen, is vannacht in rook opgegaan. De glimlachende vrouw (de enige) die er in stond, staat niet op de rokende hopen te jammeren. Zij is, waar is zij?
De mannen hebben hun zuipen verplaatst naar een naamloze stal en proosten op de verbrande winkel. Iets beters schiet ze zo gauw niet te binnen.
De eik boven de winkel is van schrik op herfstdracht overgegaan. Verder is er niemand geschrokken. Alles gaat door met een hemeltergende onverschilligheid. Er gaan mensen dood. Er liggen mensen te kronkelen in ziekenhuisbedden. Patiënten met zottekappen van verband kijken wezenloos uit de ziekenhuisramen. Verband dat zij zelf moesten kopen. En dat er door doktoren vakkundig omheen is gewonden om er geen misverstand over te laten bestaan dat er hier niets te lachen valt. U heeft te weinig verband gekocht, mevrouw, zo kan ik niet werken. En voor straf legt hij er een onmogelijke strik in, als van de paashaas. Als dank krijgt hij een doos cacaoloze bonbons.
Bij het benzinestation tankt een man 4,2 liter diesel. Voor meer heeft hij geen geld. Zijn dochter moet nog naar gitaarles. Hij heeft een Pools vlaggetje aan zijn raam geklemd.
Polen wordt wereldkampioen.

dinsdag 5 juni 2012

Kapper

Eigenlijk ben je een soort dokter, zei ik tegen de kapper. Je kunt overal gaan wonen, er is altijd werk. De kapper woont in een kapitaal paleis in Nedersilezië omgeven door vennen, wouden, velden. Alles van hem.
Hij knipte 25 jaar in een kapsalon op Broadway. Zijn specialiteit: rijke joodse spinsters.
Ze vraten hem op. 
Toen er vliegtuigen gebouwen invlogen vond hij het tijd om terug te komen. Met hem verdwenen de spinsters en zijn baas gooide de handdoek in de ring. Van zijn loon kocht hij het buiten voor een fooi.
Als er een koper komt, dan verkoop ik de hele mikmak, zegt hij.
Hij heeft wat gastenverbijven, maar als er gasten verblijven wordt hij geïrriteerd.
Knippen doet hij nog steeds met plezier, aan huis. Hij heeft een buurtwinkeltje geopend, zijn zus staat erin.
En hij laat de oude paardenstallen tot een feestruimte ombouwen. Ik heb de werker ontslagen, hij was eigenwijs. Wilde ik dat hij in die hoek ging pleisteren, begon hij in de andere. Let maar op, die komt hier met hangende pootjes terug, hij komt nergens aan de bak. Alleen de minkukels zijn achtergebleven, de goeien zitten in het Westen.

Zijn baas heeft gebeld uit New York, hij wil in Manhattan opnieuw beginnen met de salon. Hij heeft er wel zin in, maar het is te ver en te duur.
Vier dagen knippen, twee keer de oceaan over en één dag thuis.
Hij sluit de monumentale gietijzeren poort, werpt een blik op het rozenprieeltje, dat begint te bloeien. Hij loopt naar boven, naar het boudoir vol met herderinnetjes en jonge prinsen, de foto van zijn moeder.
En in dat enorme complex van donkere gangen, kamers en kelders, knipt hij het licht uit. Het is veel te koud voor de tijd van het jaar.
Hij is veel te oud voor een reis met een schaar.

zondag 3 juni 2012

Kruimels

Ik kan goed stofzuigen, vindt mijn vrouw. Hoewel ik gevoelig ben voor emotionele chantage (geen vlekkeloos achterland) weet ik dat het haar daar niet om te doen is.
Ik haal mijn neus niet op voor saaie klusjes. Zij kan haar aandacht er niet bijhouden.
Honderd enveloppen van een postzegel voorzien, het gras maaien, ik heb er wel wat mee. Als ik het doe dan doe ik het goed, met de nadruk op als, want beginnen is een onderwerp op zich. Maar eenmaal bezig gaan de kussens van de bank, de bank opzij, de stoelen op tafel, alle duistere plekken komen in het volle licht. Spinrag, stofproppen, kraaltjes, centjes en dubbeltjes, alles verdwijnt al of niet rammelend in de gulzige keel van de Nilfisk.
Onder en in de bank vooral plastikken speelgoedjes afkomstig uit chocolade-verrassingseieren, die altijd met luid tumult worden opengemaakt, waarna met bruine monden het bouwplan hardop aan elkaar wordt voorgelezen. Als het speelgoedje is geassembleerd verwijten, ruzie of een handgemeen, waarom de een het de ander niet gunt zijn speeltje uit te wisselen.
Een half uur daarna zijn beiden ergens anders en is het speeltuig al half verzopen in de kussens van de bank.
De volgende dag is er van de verrassingen niks meer te zien en niemand die er nog naar vraagt. Tot ik 2 maanden later met mijn stofzuiger kom.
En geld. In alle kieren, plinten, hoekjes, naden en spleten liggen muntjes.
Poolse muntjes, euromuntjes en geld dat niet meer bestaat, franken, marken, schillingen. Je zou denken dat het geld bij ons uit de muren spuit, maar helaas is dat niet zo.
Ook hier zijn kinderen in het spel. Als ze er lucht van krijgen dat de bank opzij gaat staan ze samen te joelen van spanning over welke verloren schatten er boven water komen.
Als het zover is duiken beiden in het stof en graaien wat ze pakken kunnen als automobilisten op de snelweg bij een opengebarsten geldauto.
De hervonden verrassing laat de opwinding nog even opvlammen, maar meestal brengen ze die zelf naar de vuilnisbak. Verstandige jongens.
Ze laten hun schoenen buiten als ze binnen komen. De stofzuiger gaat terug in zijn hok. De vloer glimt. Het keteltje fluit. Laat nu de kruimels maar komen!

zaterdag 2 juni 2012

Meneer Assad,

Wat heeft u met de kinderen gedaan?
Waar zijn ze heengegaan?

Gisteren speelden ze hier nog,
Ik heb ze zelf gezien

Wat heeft u met de kinderen gedaan?
Waar zijn ze heengegaan?

Er ligt een fiets langs de kant
En een schep in het zand

Wat heeft u met de kinderen gedaan?
Waar zijn ze heengegaan?

Alles is blijven staan
Muren en bomen roepen hun naam

Wat heeft u met de kinderen gedaan?
Waar zijn ze heengegaan?

Geef ons ons leven terug
Zo mag het niet gaan

Wat heeft u met de kinderen gedaan?
Waar zijn ze heengegaan?

Laat de kinderen met rust
Ze hebben niks misdaan

Wat heeft u met de kinderen gedaan?
Waar zijn ze heengegaan?

Kijk uw eigen kinderen aan
Kom bij zinnen, u moet gaan

Wat heeft u met de kinderen gedaan?
Waar zijn ze heengegaan?

Hebben ze het koud?
Wat hebben ze aan?

vrijdag 1 juni 2012

Deur

In 1996 zag ik een documentaire met John Berger. John Berger is een Britse schrijver die naar de Franse Alpen emigreerde toen hij achter in de veertig was. Ik had de documentaire op video en keek er elke paar maanden naar. Ik snapte niet helemaal waar het overging, maar ik werd er blij van. In de documentaire was hij achter in de zestig.

Mijn onbestemde verlangen naar de schrijver ging zover, dat we een gîte in de buurt van zijn dorp Quincy huurden, om te zien waar hij woonde. Uiteindelijk zijn we een paar keer door het dorp van een paar huizen gereden. Bij 1 huis had ik het vermoeden dat het van hem was, maar ik durfde niemand te vragen. Ik wist bij God niet wat ik tegen hem had moeten zeggen, dus stel je voor dat hij voor mijn neus had gestaan als ik had aangebeld.

Jaren gingen voorbij en Berger verdween naar de achtergrond.
Maar de laatste tijd bleef een zin in flarden terugkomen.
Het gaat over de betekenis van betekenis van betekenis.
Ik pakte 'De vrucht van hun arbeid' erbij, zijn trilogie over het verdwijnende boerenleven en zocht in het verhaal 'De accordeonist', maar kon het niet vinden, ik las er steeds overheen. Of het was er niet. Stond het in een ander verhaal? Ik gaf het op, of ik had geen tijd, of ik was moe of alledrie.
Avonden het boek naast mijn bed gehad. Doorgenomen en nog eens doorgenomen. Ik kreeg er geen vat op. Ik kwam niet uit de impasse. Mijn verstand liet mij volkomen in de steek.
Tot vanavond. Ik kreeg het wereldidee om de documentaire terug te kijken. Die gaf een cruciale aanwijzing terug naar het boek.
Twee jaar naar gezocht, nu gevonden. Alsof er een deur open mocht.
Het gaat over Felix, die in het echt Louis heet, een boer en accordeonist, die zijn vrouw verliest en geen noot meer speelt. In het fragment heeft Felix zijn accordeon voor het eerst na jaren tevoorschijn gehaald. Hij gaat zitten in de stal met koeien op een melkkrukje.

De lucht, warm van de hitte van de dieren die de hele dag in de zon hadden gestaan, rook naar wilde knoflook want er groeit wilde knoflook in het veld bij de oude weg naar St Denis, waar ze stonden te grazen. Het instrument ademde deze lucht in en zijn twee stemmen roken ernaar.
Hij speelde de gavotte in vierkwartsmaat.
Gavotte, dat van gavot komt, dat bergbewoner betekent, dat krop betekent, dat keel betekent, dat schreeuw betekent.

woensdag 30 mei 2012

Discriminatie

In het begin van de jaren 90 was mijn vrouw de eerste nieuwe Pool in Amsterdam. Oude Polen waren in het holst van de nacht achter het ijzeren gordijn vandaan gekropen, toen het Oostblok nog stijfstond van het Stalinisme. Een professor, een filmregisseur en een clown.
Toen we later in het bollengebied neerstreken, hoorden we in de C1000 andere Polen achter de schappen. En als je niks hoorde, kon je het meteen zien: een Pool is altijd in een groep, is oplettender dan een Nederlander, gewend aan de fluctuaties van de conjunctuur. Over de pot pindakaas die er vandaag staat kan morgen geen herinnering meer bestaan. Men beweegt schichtiger, dierlijker dan een Nederlander. Een Nederlander let niet op. Dronken van de gratis koffie leunend op zijn winkelwagen heeft hij vage gedachten over naar welke ziektekostenverzekering hij zal overstappen.

Nog later verlieten wij Holland. Af en toe komen we een weekje terug. We logeren dan in Sollasi, zo'n huisjespark in Noordwijkerhout, waar het wemelt van de Polen.
Hoe we dat weten?
Je loopt langs de achtertuinen. Bij de schuiframen zitten vrouwen gehurkt te roken. Met sloffen in het natte gras. Samenzweerderig kijken ze op wie er voorbij gaat. En wenden zich weer tot hun eigen kring. Het rooksignaal van de vrouwen-verzamelaars kringelt meters in de hoogte.
In de hoogte waar een Boeing boven de Noordzee klimt naar 30.000 voet.

zondag 27 mei 2012

Big

[Transcript van een meesterlijke commercial voor Barclays (bank) uit 2000 met Anthony Hopkins, regie Tony Scott (broer van Ridley), schrijver onbekend. Onder het transcript de link naar het filmpje.]

What is this about big? 
You know, seeing the big picture, having the big idea, clinching the big deal. Nobody wants to clinch the little deal, who wants to do that? To be a little-deal-clincher, a small shot. No, when you going to get a burgy, you wanna big mac. When you go to the funfair, you ride a big dipper. You turn on the TV and you see a big bird or you're afraid of the big bad wolf.
When I was growing up I wanted to be the big man, I never wanted to be the little man, even the little man wanted to be the big man.
When you go to a America you go to the big apple, not the little apple.
When I get up in the morning I want a big breakfast, I want my girl-friend to say 'good morning big boy', to which I reply: 'a good big day today, a big meeting with the big chiefs from the big studio, it's a big time for the big bucks' and she would turn to me rolling her big blue eyes and say 'big head'. I (...?) and say 'what's the big deal?', give her a big kiss and get into my big car and set out for the big wide world, she would give me a big wave, close the door of our big house, look in the mirror and ask herself 'does my bum look big in this?'
And in my big meeting I turn to one of the big hitters and say 'I love this movie, it's gonna be big, there's only one small problem: my fee. I'd like it to be, ehm, what's the word..'

link naar filmpje

Onbekendegracht

Toen ik mijn opleiding tot regisseur had afgerond, woonde ik een paar jaar op de Onbekendegracht, 1hoog leunend tegen de achterkant van Carré.
Ik kwam er nooit.
In Polen zeggen ze 'een schoenmaker loopt op versleten schoenen'.
En toen ik later in De Zilk woonde, onder de rook van de Noordzee, ben ik nog nooit zo weinig naar het strand gegaan. 
Als je iets hebt, heb je het niet meer nodig, is de drogredenering.
Ik kwam dus nooit in Carré, maar ik zat wel op de eerste rang van de artiesteningang.
Met kerst hadden we kooien met tijgers op 7 meter zoals de mus vliegt. Gratis gebrul en gratis geur uit de tijd van de holbewoners.
Toen Herman van Veen optrad probeerde ik hem elke avond te betrappen in het loopje vanaf zijn auto naar de ingang en vice versa, maar artiesten bepalen hun eigen zichtbaarheid. Ik zag wel zijn groene Jaguar, maar Herman nooit.
Toen Shirley Bassey optrad was elke avond de finale met 'This is my life' woordelijk te volgen, mijn verdieping was een extra klankkast, de bassen deden mijn knieën knikken.
Toch werd ik een keer uitgenodigd. Voor het kerstcircus. Maar toen er 15 minuten na aanvang een depressieve albino-olifant kunstjes moest doen zijn we met zijn drieën weggelopen. Een deurtje verderop. We moesten de hele avond huilen. Aan mij heeft het niet gelegen.

zaterdag 19 mei 2012

15 ziektes

Totdat ons huis af was woonden we in een flat. De Polen noemen het een blok. En dat was het ook. Drie kabouterkamers, een keuken en een badkamer. Tijdens het communisme neergezet van wat voorhanden was. Stoffig beton, radioactief staal, ramen die je niet open kon doen omdat ze anders uit de kozijnen vielen en een asbest-achtig paadje voor de buitendeur. Een donkere marteltrap waarbij elke trede een andere hoogte had met een leuning die alle kanten op kronkelde geschilderd in gifgroene cadmiumverf. Op de balkons die niet waterpas waren mocht je niet komen vanwege afbraakrisico.
Vertrouwde Oostblok-kwaliteit.
De staat zal gedacht hebben: ze moeten wonen, maar ze mogen het niet in hun bol krijgen.
Wij waren nog maar met zijn drieën en later met vier. Het is ons gelukt ons daar voort te planten. Of misschien is het juist het ongemak dat ons tot voortplanten aanzette.
Boven ons woonden ze met zijn zessen. Ook een gezin, maar aangevuld met de ouders van de man. Met overal hoogpolige kleden aan de muur en op de grond. Een Pools paleis. Een hermetisch universum.
De moeder van die man, de oma van het gezin had 15 ziektes.
Elke oudere vrouw -boven de 45 ben je oud- heeft minimaal 11 ziektes, anders kun je niet meepraten. Op de keukentafel stonden 32 pillendoosjes, flesjes en recepten om de voorraden aan te vullen. De zieke vrouw liep elke dag vief de treden op en af. Haar lichaam kende de hoogteverschillen van buiten, dus ze struikelde nooit. Ze scharrelde wat in de moestuin en kwam terug met een komkommer en een wortel. Of ze ging verhaal halen bij de jonge dorpsarts.
We stonden op goede voet en altijd vroeg ik naar haar gezondheid. Ze veerde dan op, want de andere buren waren uitgepraat. Ach, het moet maar, zei ze dan en een glimlach kon ze niet onderdrukken.

Iedereen wist dat wij er niet bijhoorden. Wij hadden de luxe dat we op zekere dag konden vertrekken. Jaren later zag ik haar lopen in de supermarkt. Hoe gaat het. Ach, zei ze, alles wat beter gaat wordt verneukt.

November

[transcript van een TV-interview met Richard Burton in de Dick Cavettshow over zijn alcoholverslaving, juli 1980]

Dick Cavett
I guess what I want to know is, how do you know when you are in trouble?

Richard Burton
I think that..nobody quiet knows which drink it is that takes him over the edge of being merely a social or hearty laughing drinker into a morose and hangover wretched creature who shakes and creaks and sweats and has nightmares and it is always november and it's raining and it's three o'cłock in the morning and there's nowhere to go and you reach out for a cigarette and smoke and think of all the horrible things you've done in your life and all the shame, all the shames you've endured and suffered and the shame you gave other people, all the wrongs you've done other people. I don't know if alcoholics can put it as eloquently as that usually, they can just say I just stared out of a window for two years and ehm... it is... I... believe me... the question of being an alcoholic, I'm not quiet sure if I am one, but if I am not one I am very near, I am right on the edge of being one, it is not a laughing matter it really is not a laughing matter

(...)

and I think...no I can't say that I've beaten it because as Jimmy Preston, who was a dear friend of mine wrote me a short but very eloquent letter once some years ago when I was in trouble with drink he said don't forget that drink...and he used the analogy of a boxing match that you're always fighting, you're always fighting and the other fellow is booze and you evade him you evade him and one of these days as you evade him he's gonna nail you right on the chin down you go. So it's a continual fight, everyday it's a fight. When you get through the day and you finally put your head on the pillow when you sleep you say I've beaten that boxer for yet another day. So for the rest of your life you're stuck with that shadowy figure always always coming at you always coming at you and there is every conceivable excuse to take a drink. I got bad notes I take a drink I got good notes I take a drink

(...)

vrijdag 18 mei 2012

Charisma

Toen de Nationale Beroemdheid Ella Gramzaad op zekere dag de aarde verliet viel er een blad op de stoep van de kastanje aan de Voortweg.
Een bestelbus stopte voor het stoplicht. Een bakker trok zijn broek op. Een politicus keek in de spiegel. Een aalscholver trok een poot in. Een scheur in het poolijs kraakte. Een zieke telde zijn pillen. Een rollator reed over een voet. Een musicus knipte zijn wenkbrauwen. Een donor ging voor iemand staan. Een kikker kauwde op een libelle. Een ober nam een nieuwe pen. Een dikke man tastte naar zijn gesp. Een kind zette zijn voet op een fietspedaal. Een cameraman pakte een tissue. Een slagboom bleef dicht. Een boer staarde naar zijn tandenborstel. Een natte handdoek bewoog aan de waslijn. Een platvis ging naar links. Een meisje liet haar telefoon los. Een zwakzinnige haalde adem.

woensdag 16 mei 2012

Het woord bestaat

Mijn oom leidt mij rond in zijn tuin. Dit is een vast punt op de agenda. Altijd als ik aan kom waaien moet de tuin even getoond. En altijd lopen we tegen de klok in. We beginnen bij de vijg, de kippen slaan we dit jaar over. De moestuin met aardappelen. De waterpomp, 10 meter diep. Dan het prieeltje, dat heeft hij opnieuw gewit met roestwerende verf. De klimroos is teruggesnoeid, maar hij begint weer. De sering heeft van de winter een opdonder gehad. En na de warme dagen van eind maart ging het weer vriezen, toen is er een hoop stukgegaan. Koud is het nog steeds, maar alles begint uit te lopen. De composthopen achterin. De catalpa, maar of het een catalpa is, dat weet hij niet zeker. Dan lopen we achter de vijver langs, de sluipmoordenaar, die toen de kleinkinderen kwamen preventief is drooggelegd.
De houtopslag, stammen van 1 meter lang, wilg of beuk. Hij heeft geen houtkachel, zijn zoon wel. Nog meer opslag, reserve dakpannen onder een zeil, op een paar pallets. Een houtwal van korte stammen eik. Hij heeft de beuk gekandelaberd, zegt hij.
Bestaat dat woord of heb je het zelf bedacht. Mijn oom is een gelovig man. Het woord bestaat, zegt hij.
Dan de rodondendrons, die tot aan de straat doorlopen en die om het jaar moeten worden teruggenomen. De schuur met het gereedschap. Een andere catalpa, maar een echte.
De eik die Napoleon en Hitler hun tanden heeft zien stukbijten op het eeuwige Rusland.

maandag 14 mei 2012

Weg van Ongenade

Op een mooie Pinksterdag gaat meneer Blom met zijn dochtertje (Dieuwer) van 4 een stukje fietsen. Ze heeft nog zijwieltjes, maar het idee is om terug te komen zonder.
Er staat geen wind, de tulpen zijn uitgebloeid. Dieuwer heeft een roze fiets zonder bel, maar met een toeter van de HEMA. Een bel vond ze truttig.
Niet dat Dieuwer zo'n mannelijk typje is, integendeel. Maar als Dieuwer iets wil dan is ze niet voor andere meningen vatbaar.
Op de hoek van de Weg van Ongenade en de Onderduikersweg stoppen de twee. Vader haalt gereedschap tevoorschijn en sleutelt de wieltjes eraf. Hij heeft een fietstas, daar gaan ze in. Zijn fiets ligt langs de kant in het gras. Nu gaat hij naast haar lopen.
Voor je kijken en stuur recht houden, als je je evenwicht verliest, tenen op de grond. Dieuwer is een natuurtalent. Ze rijdt een stukje, stopt en gaat dan weer door. Pa kan het bijna niet meer bijhouden, zo goed gaat het.
Dieuwer fietst midden op de weg, dat kan wel, verkeer hoor je van ver aankomen. In de buurt van de Pilotenweg kan Dieuwer fietsen en vader roept draai maar om. Hij kan niet meer. Hij moest eens wat aan sport gaan doen. Die buik moest er nu maar eens af. Dieuwer is gedraaid en blijft nu naast haar vader rijden die met haar mee wandelt. Zijn hart bonst in zijn keel. Dieuwer knijpt in haar toeter, hij schrikt, het geluid schalt door de Noordoostpolder. Iedereen is wakker.
Dieuwer betekent beschermer van het volk. Pinksteren betekent uitstorting van de Heilige Geest. Ongenade betekent wat het betekent, maar is krachteloos bij kleine meisjes.

vrijdag 11 mei 2012

Land uit Zee (2)

Het boekje gevonden bij de Slegte in de Grote Houtstraat te Haarlem, voor 3 euro 75.

Hieronder vermeldenswaardige onderteksten bij de foto's.

1. De visser van de Zuiderzee.
4. IJs of geen ijs, er moet gevaren worden.
5. In het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen gaan de vissersboten voor altijd voor anker.
8. Zó viert men bruiloft op Marken.
9. Hope der toekomst in de dracht van het verleden. (Marken)
13. De Schreijerstoren in Amsterdam, vroeger afvaartplaats der Oostinjevaarders over de Zuiderzee.
20. Hindelopen, niet door de onrust der tijden beroerd.
21. De klederdracht handhaaft zich het langst bij de vrouw. (Urk)
24. De Vlieter in de Afsluitdijk wordt gesloten, in een harde strijd met de sterke stroming.
25. Een werkeilandje, dat later in het lichaam van de grote Dijk zou opgaan.
26. Machtige sluizen in de Afsluitdijk
27. De Afsluitdijk scheidt zee en meer.
28. Ook de Wieringermeer is dienstbaar aan het snelverkeer tussen de Nederlandse provinciën.
29. Nauwkeurig wordt geviseerd om de landmerken van een nieuw gewest uit te zetten.
31. Kennersblik bestudeert het grondmonster uit de boor, waarbij Urk de helpende hand reikt.
32. De keileemgrijper lost de lading, die de polderdijk zal sluiten.
33. Hier spuit men dijken.
34. Onweerstaanbaar groeit de dijk naar de einder.
35. De baggermachine in vol bedrijf.
36. Zandzuiger in actie, getoomde en geleide kracht.
37. Het is zover, de dijk is dicht.
38. Het maken der rijshoutbekledingen gebeurt met de hand.
40. De dijkafdekking vraagt een zorgvuldige hand.
41. Bazalt als verzwaring van de dijk.
45. Strak en sober, het voltooide gemaal 'Wortman'.
48. Het water is teruggedrongen. Onwrikbaar ligt de dijk.
50. Pioniers der begroeiing op de maagdelijke grond van Oostelijk Flevoland: moddermelde en kamille.
51. De polderbodem, week nog als het water wijkt, is spoedig ingedroogd en gescheurd.
52. Het land valt droog. Haver en gerst kunnen worden ingezaaid.
53. De greppelploeg 'De Spekhaak', bezig in Oostelijk Flevoland met zijn eerste 1000 km greppel. (Noordoostpolder: 18.000 km!)
54. De greppelgrond moet nog worden geëgaliseerd vóór de inzaai.
55. De bulldozer kan bergen verzetten!
57. De mechanisatie is het kenmerk der moderne ontginning.
58. Heel het raderwerk staat stil, als zijn machtige hand dat wil.
59. Een minder diepgaande behandeling: het eggen.
63. Er zijn niet alleen paardekrachten in het nieuwe land, er zijn ook paarden.
64. De agrarische luchtmacht bespuit het koolzaad.
65. Veeteelt wordt in de Noordoostpolder aan de randen gevonden.
67. De 'combine': zij maait, zij dorst.
68. Voor het vlastrekken met de hand zijn veel mensen nodig.
69. Nog een de 'combine': mens, sigaret en machine.
70. 't Zijn sterke schouders, die de weelde van een zak poldergraan kunnen dragen.
75. Het monteren van een landbouwschuur met geprefabriceerde elementen.
82. Ruime buitenwijken van Emmeloord.
83. Het is vol op de Emmeloordse markt met polderbewoners van allerlei herkomst.
84. Verkeersdrukte in de 'Lange Nering' te Emmeloord.
87. Het moderne postkantoor te Emmeloord zorgt voor de communicatie.
89. Beeldende kunst bij de ingang van de schouwburg.
91. Touwtje springen op de voormalige zeebodem.
93. In het dorpsplan van Marknesse is de Ned. Herv. Kerk een belangrijk element.
94. In het vlakke land van de polders wijzen de kerktorens naar boven...

Land uit Zee

Zwart wit. Kantklossende vrouwen in klederdracht in een Saartje-keuken. Een eenzame man in een drollenvanger met een bolknak in zijn bakkes, uitkijkend over het water. Het gegroefde gelaat van een oude man aan tafel lezend in de bibel. Hijskranen die modder storten in de Zuiderzee. De twee zeeën die zich verzetten om van elkaar te worden gescheiden. De stroming spoelt alles weg wat er in wordt gegooid, lijkt het. Blind wordt er doorgestort. De zee wordt twee. De stroming dooft uit. Er wordt gejuicht. Burgemeesters, burgers en buitenlui slaan elkaar op de schouders. Hoeden vliegen door de lucht. Het beest is genakt. Niet genekt, maar geknakt. Friesland is geen land meer, maar een provincie. Een visser die trots een kabeljauw toont met een glimlach zwarte tanden. Een poppenhuiskindje dat tussen haar tante en haar moeder loopt in een autoloze straat. Twee bevriende boeren lachend achter een oude klare in de opkamer bij de servieskast met het tafelzilver.

Dat zag ik in een boek 40 jaar geleden. We maken schoon schip in het ouderlijk huis. Ik vraag mijn moeder naar dat boek, titel Land uit Zee. Ze weet het niet. Misschien uitgeleend aan een buurman en nooit teruggekregen. Wie zal het zeggen. Het geheugen begint te rafelen. Maar hoe leg ik aan mijn zonen uit wat Nederland is?

dinsdag 8 mei 2012

Majesteit

Ik woon ergens anders. Net als een Turk heb ik een satellietverbinding met het moederland. Geen doorwaadbare plaats voor koeien, maar een navelstreng met de moerassen aan de Noordzee.
Op hoogtijdagen, zoals 4 mei, gaat de televisie aan. Mijn gezin heeft de praatziekte. Iedereen lult de hele tijd door elkaar. Als de één begint, begint de ander ook, en nog één en nog één, tot iedereen geluid maakt. Maar op 4 mei, zo'n paar minuten voor 8, moet iedereen zijn tetter houden.
Men kijkt mij verbaasd aan, papa kijkt naar de Dam. Ik word uitgelachen, maar de liefde is groot genoeg om toch te kunnen zwijgen. Soms komt er zelfs één naast me zitten.

Ik zie majesteit met haar gevolg naar de obelisk lopen. Het begint. De wind waait door de haren van blonde meisjes die elkaar vasthouden. Een oude man die eruit ziet als Johannes de Doper is blijkbaar door de beveiliging gekomen. Ook zijn grijze hooihaar wordt bewogen door de wind. Een vrouw met de Israelische vlag om haar nek, stond vanmiddag zacht te huilen bij het zigeunermonument en huilt hier nog.
Het is stiller dan ooit. Iedereen is gespitst op een damschreeuwer, maar de stilte vloeit als een zachte hand over het plein.
Ik zit op de bank in Polen en zie de plek, waar ik, 4 jaar oud, de duiven mocht voeren uit een puntzak vol zaadjes. Ik weet hoe warm de kinderhoofdjes van de Dam zijn als de zon erop staat.
Dan is het over. Het volkslied vliegt me zoals altijd naar de keel. Ik ga er verder niks over zeggen. Ik wilde dat wel, maar dat werd pathetisch-patriottische prietpraat, dus dat heb ik doorgestreept. Nog 1 poging dan: Het zijn wortels die diep in de ziel doordringen en waar je niks over te zeggen hebt. Het domein van de instincten.

Majesteit staat. Majesteit groet de eerste kransleggers met een voorzichtige glimlach. Majesteit is veranderd in een uil. Een lieve wijze uil, die bij elke begroeting een willekeurig ooglid laat zakken en ziet dat het goed is. Een noordelijke buddha in wie de meebewegende onverzettelijkheid ons vertelt wat een Nederlander is. Of zou kunnen zijn. Nederland heeft een moeder. Een koningin. Geen gespeelde, maar een echte.

zondag 6 mei 2012

Op het leven

In mijn huis is een muur die schreeuwt om een tekst. De muur is aan een kant van het trappenhuis, bij een raam met uitzicht op een bos. Ik ben al maanden allerlei teksten aan het lezen die mogelijk geschikt zouden zijn om erop te zetten. Er is een website muurgedichten.nl waar inspiratie uit te putten is. Het valt me op dat veel muurgedichten niet gemaakt zijn voor de muur, maar erop terecht komen omdat ze lekker kort zijn, wellicht iets met de straat te maken hebben of met intimiteit, die juist een contrast vormt met de openbare ruimte.

Hoe dan ook, ik zou willen dat mijn muurgedicht voldoet aan de volgende criteria.
-het moet tot denken aanzetten. Je moet erop kunnen kauwen. Ook als je er de honderdste keer langsloopt moet het nog de aandacht trekken.
-het moet energie geven. Ik wil niet naar een gedicht kijken waar ik op leegloop.
-het moet op de muur thuishoren, zoals een oproep, uitroep of hartekreet.
-het moet niet te literair zijn. Ik wil niet dat de toevallige lezer zich buitengesloten voelt door het taalgebruik. Hij moet de woorden kunnen snappen. Of hij de gedachte die erachter zit snapt of aanvoelt, dat is de reis die ieder voor zich moet gaan. Maar als hij het niet vat weet hij in elk geval dat het niet de woorden zijn die het begrip in de weg staan.
-het moet niet schreeuwerig zijn. Niemand leest graag geblaf.
-je moet het gevoel krijgen dat de muur spreekt, niet een dichter wiens gedicht op de muur is gezet.
-al min of meer gezegd, maar het moet inspireren, mobiliseren en activeren.

Zoiets als dit:

L'Chaim

Voor de moedige, die leeft omdat hij sterven kan.
Voor de arme die alcohol, sigaretten en God nodig heeft om het vol te kunnen houden.
Voor de zieke die door het noodlot werd aangewezen.
Voor de doden die wij elke dag deerlijk moeten missen.
Voor de levenden die bij ons zijn maar die we niet bereiken kunnen.
Voor de radeloze die alles begrijpt maar niet verlicht wordt.
Voor de natuur waaruit we voortkomen.
Voor de muziek die ons hart verwarmt.
Voor de levenslust die ons optilt en ons laat vliegen.

Mijn vrouw vond het mooi, maar geeft toch de voorkeur aan een lege muur.

vrijdag 27 april 2012

Consumentisme

Als scheppend persoon heb je vaak te maken met beoordelingen. Men beoordeelt wat gemaakt is als een klant in een Witte Slagerij. Je hebt slavinken. Je hebt halfom. Je hebt hoofdkaas. Je kunt kopen of afserveren. Door het aanbod is de consument in de positie gekomen van omnipotente scherprechter. Hij denkt dat hij van alles verstand heeft. En hij laat zijn ongearticuleerde mening zonder schaamte naar buiten vloeien. En dat is geen eerlijke gepeperde koeienvla maar drek die het keurmerk stront nog niet eens mag dragen.

De lezer, kijker of luisteraar zou tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen door eerst zelf een poging te doen om te maken wat hij consumeert om gevoel te krijgen voor wat het maken vermag. Als hij daarna nog steeds een grote mond heeft dan is dat in elk geval op meer gestoeld. En het is te hopen dat deemoed en bescheidenheid bezit van hem zullen nemen. Dat betekent niet dat hij zijn mond moet houden. Het is meer iets van je plaats kennen. En dan pas je scheur opentrekken.

Voor het geschreeuw van het oordeel de stilte van het gesprek met uzelf in de plaats stellen. U bent als calculerend burger veranderd in een rekencentrum, terwijl u een kwetsbare zuil van bloed en botten bent die met een pennestreek door het noodlot doorgehaald kan worden. U heeft niets in te brengen dan lege briefjes.

Uw kind komt naar u toe met een tekening. Uw kind begint uw taal te spreken. Op het papier staan wat vage krassen. U maakt een verplicht compliment. U snapt niets van wat u ziet. Uw kind zegt dit ben ik. En bij de grootste verzameling krassen zegt het en dit is papa. En nu ziet u het ook. Het kind heeft gelijk. Ik ben een verzameling krassen.

Klikspaan

Om de vijver op te helderen kocht ik een jaar geleden 2 graskarpers.
Behalve plankton aten ze ook alle waterplanten op. De net gekochte lisdodden gingen er in als koek. En aan vermenigvuldiging deden ze ook. De honderden kindvisjes overleefden de winter lachend onder een plak ijs van een halve meter en waar je nu kijkt zie je ze.
Mijn zoons zijn gefascineerd en niet weg te slaan bij de waterkant. De oudste heeft moordzuchtige neigingen. Hij heeft een wetenschappelijke natuur. En schuwt het experiment niet. Wormen worden geciseleerd, kikkers geplet en sprinkhanen houdt hij net zolang in een potje tot ze krankzinning geworden zijn.
Ik weet dat en probeer te redden wat er te redden valt en hem tegelijkertijd de liefde voor al wat leeft aan te praten. De kikkers die van de week in innige omhelzing aan het paren waren heeft hij met rust gelaten, al probeerde hij wel de mannetjes van de ruggen van de vrouwtjes los te trekken.
Gisteren kwam hij met 4 graskarpertjes van 2 centimeter lang in een bakje aanzetten, gesecondeerd door zijn broertje. Trots en bang dat ik aan het feest een eind zou maken.  
Ik zei knap dat het je gelukt is ze te vangen, maar zet ze nu maar terug. Hij knikte van ja. Ik ken die beloftes en volgde hem door het raam tot ik gezien had dat hij het bakje leeggooide. Maar vanmorgen klikte de kleinste dat hij er toch 1 door midden had gebroken bij hun 'basis', de glijbaan.
Om de kleine niet te verraden, heb ik niets tegen de oudste gezegd. Maar ik weet wat voor vlees ik in de kuip heb.

maandag 23 april 2012

Lege handen

Zoals elke morgen breng ik mijn jongens naar school. We passeren de plaats waar de bus stopt -geen bushalte- er staan hier af en toe mensen te wachten. Zonder mensen is deze plek van geen betekenis.
Er staan een moeder en een dochter. Ze steken hun hand op, ze kennen ons, en hopen dat we stoppen.
Ik wil wel, maar ik kan niet, want dan moet één van de dames in de achterbak.
In 1997 was de rivier die hier uit de berg komt veranderd in een grommende draak. Andere omstandigheden vragen om ander gedrag. Met een aanstormende rivier in mijn rug had ik wel 6 dames in mijn achterbak kwijtgekund. Maar de paniek ligt ergens in een ver dal zijn roes uit te slapen. Je kan hem horen snurken, maar je ziet hem niet. Dus bestaat hij niet. 
Moeder en dochter zijn in de steek gelaten door het gezinshoofd, die vreemdging met de fles. Polen is het land van de onzichtbare vaders. Moeder ziet er uit als een verbaasd clowntje, Giulietta Messina, de dochter is 14 of 15, een uit de kluiten gewassen meidje, dat niet weet wat ze met haar lichaamsdelen aan moet vangen.
Een uur later kom ik ze tegen op de markt van het provinciestadje. Ze groeten nauwelijks, ze schamen zich. Ze zijn toch door iemand meegenomen.
Weer een uur later rij ik terug via de kilometerslange weg omhoog en weer zie ik ze staan. Ze steken hun hand op. Dit keer ben ik alleen met boodschappen. Ik stop. Ze groeten onhoorbaar en stappen in, terwijl ik schielijk wat lege flessen en proppen papier van de bijrijdersstoel weghaal. Zwijgend zitten ze naast en achter me. Ik kan ze niet naar het dorp brengen, want ik moet voor het dorp omhoog. Bij mijn afslag stop ik.
De moeder zegt zoiets als 'nou, dat moet dan maar', bedankt en stapt uit. De dochter zegt er geeneen.
Ze lopen het laatste stuk naar huis. Ze hebben lege handen.

woensdag 18 april 2012

Stijl

Ik zie u zo graag, zeggen Vlamingen, geloof ik. Waarmee ze bedoelen dat wat de ander ook zegt, het altijd goed is. De ander kan een potje breken. Waar het over gaat is niet zo belangrijk, de nabijheid is belangrijk.
Zo is het ook met stijl.
Grote schrijvers, zoals Gogol, Duras, Reve of AL Snijders hoor je graag lullen. De ene keer is het onderwerp interessanter dan het andere, maar het gaat vooral om hoe ze hun onderwerp benaderen, de muziek van het schrijven.
Het is de lezer te doen om de stem van de schrijver. Het gaat niet om de anekdote of het intellect.
De schrijver CS Lewis zegt 'we lezen om te weten dat we niet alleen zijn'. We zoeken keer op keer het gezelschap van een geliefde schrijver omdat ons hart erdoor wordt verwarmd en we ons beter gaan voelen.
Toon Hermans had het ook. Al val je middenin zijn voorstelling, je snapt meteen waar het over gaat, omdat de anekdote niet van belang is. Het gaat om de man. Hoe hij het zegt.
Als een kind dat rustig in slaap valt na het horen van één zin uit het midden van een verhaal dat haar vader voorleest.
Of zoals de merel in de tuin. Wat hij zegt weet je niet, maar je wil niet dat hij stopt.

maandag 16 april 2012

Troost

Op de N207, richting Ringvaart, bij het stoplicht naar Hoofddorp staan de volgende mensen in hun auto te wachten.

Jan, 31 jaar, heeft zojuist te horen gekregen dat hij op zoek moet naar ander werk. Hij heeft hartkloppingen, hij zweet. Zijn vrouw kan elk moment bevallen. Hij heeft een tophypotheek. Jan weet dat sport goed is voor de gezondheid, maar is 's avonds te moe om het ene been voor het andere te zetten. Jan kijkt links omhoog.

Marion, 54 jaar, verzorgt haar moeder. Die woont in een kast van een huis. Op het huis staat 'Peeperkorn', oude bollenadel, maar haar moeder is import. Opgegroeid in Amstelveen, geboren in Polen. Ze is een trotse vrouw en is bij het ramen lappen in de rodondendrons terecht gekomen. Heup gebroken. Ze ligt in de erker en ziet de wolken boven de Noordzee. Niemand ziet haar, alleen haar dochter. De dochter kijkt links omhoog.

Dokter Osinga, huisarts. Kettingroker. Fries. Hij komt van een verplichte bijscholingscursus. Alles wat hem van zijn patiënten afhoudt ziet hij als verloren tijd. Het is 5 graden Celsius, maar hij heeft alle ramen open omdat hij de bijscholingscursus van zich af moet roken. Dokter Osinga weegt 54 kilo. Hij kijkt links omhoog.

Op lantaarnpalen zitten 3 prehistorische monsters hun vleugels te drogen. Het waait en de beesten moeten voortdurend hun evenwicht zoeken om te blijven staan. De schollevaren strekken hun zwarte borst ver naar voren, snavel omhoog, omarmen de westenwind.

Het stoplicht springt op groen.

zondag 15 april 2012

Diefstal

April kan ongenaakbaar zijn. Het is vijandig buiten. Het regent en een ijzige wind blaast mensen die denken dat het lente is terug hun huis in.
Het is Hollands weer. De noordwestenwind raast met honderden kilometers per uur over het continent en slaat stuk op de Sudeten.
Ik ruik de Noordzee. In mijn jas gedoken sta ik de grond open te harken.
April doet wat 'ie wil, maar ik ook. Als de wind gaat liggen moet er gras gezaaid.
Dan hoor ik plotseling gekrijs op twee, drie meter hoog. Ik kijk op. Het zijn twee meeuwen. Ze hebben iets in hun bek dat lijkt op een bruine boterham. Ze openen, als was het afgesproken werk, tegelijkertijd hun snavels en de boterhammen vallen voor mijn neus op de zwarte aarde. Op de boterhammen zit rosbief en gebakken ei. De meeuwen maken rechtsomkeert in de richting van de Noordzee en roepen nog wat triomfantelijks.
Als het niet echt gebeurd was, zou ik gezegd hebben dat een schrijver dit bedacht had. Een schrijver in een caravan in de Kennemerduinen. Maar dat kan natuurlijk niet.
De werkelijkheid is veel genialer.

donderdag 12 april 2012

Recycling

In mijn kledingkast hangen overhemden en broeken die hun glans hebben verloren.
Dat gebeurt elk voorjaar. Een stelletje hou ik apart als werkkleding, want ik heb de neiging op mijn paasbest de tuin in te gaan. Voordat ik het weet zit ik op mijn knieën in de klei. Vergeten om te kleden. Ik vind het al 4 jaar een goed idee een overall aan te schaffen, maar het lukt steeds maar niet.
De afdankertjes gaan in een plastic zak naar Roman, een intelligente vent die in de greep is van Koning Alcohol. Als hij niet dronken is kun je een aangename conversatie met hem hebben. Hij relativeert, heeft humor en ziet de tragiek in van zijn eigen situatie.
Als de alcohol hem niet genekt had zou hij nu als cultureel attaché Polen vertegenwoordigen, in de watten gelegd door chaperonnes.
Roman heeft geen cent te makken en verkoopt een deel van de kleding door aan mindere goden uit het dronkemanscircuit. En zo zie ik Opa in mijn t-shirt, Balanga in mijn broek en Kroonkurk in mijn van bommels rondstappen.
Op zekere morgen rijd ik met een auto vol plastic, glas en papier naar de gescheiden afval plek. (Er wordt gefluisterd dat het lood om oud ijzer is. Al het gescheiden spul komt, als niemand kijkt, weer op een grote hoop. De subsidie voor gescheiden afval van de Europese Unie is geïncasseerd, maar de infrastructuur erachter is niet georganiseerd. Wist u dat de stadions tijdens het EURO2012-toernooi worden verlicht door Vietnamezen die in de catacomben op racefietsen turbines aandrijven?)
Opa komt mij tegemoet in mijn t-shirt en is in zijn wiek geschoten dat ik de afvalbakken uit 'zijn' straat gebruik, hoewel hij daar geen belasting voor betaald heeft en ik wel.

zaterdag 7 april 2012

Grenzen

We denken over kippen. Een regionaal populaire soort is die van de groenpoters. Een kip waarvan het pootje groen is en het eitje smaak heeft. Om er 10 te kopen, in de zomer de eieren ervan te hebben, ze in de herfst te slachten en dan volgend jaar hetzelfde te doen.
Dat stelt mijn vrouw voor, ze is praktisch.
Dat slachten gaat ze zelf niet doen, dat valt mij toe. Ze doet de gordijnen dicht en de televisie aan als de slachtpartij aan de gang is en de koploze hennen om het huis heen rennen. Ik kom binnen als het voorbij is. Ze verwacht een eindproduct.
Er is iets dat mij niet bevalt. Ik kan het zelf doden wat je gaat eten billijken. Maar om de gehele levende have op een middag in de herfst over de kling te jagen stuit mij tegen de borst. ("Maar jonge sla in september, net geplant, slap nog, in vochtige bedjes, nee.")
Het is te praktisch. Het is misschien goedkoper, maar er zijn grenzen.
We komen tot een compromis.
Er moet een winteronderkomen worden gebouwd, zodat de kippen die we niet eten gewoon door kunnen leven. Totdat we honger krijgen. Dan kom ik in het geweer.
Maar zover is het nog niet.
Het zijn slechts plannen.

dinsdag 3 april 2012

Of iets dergelijks

Hij was de onhandigheid in persoon. Alles wat hij ophing, repareerde, plakte bleef niet hangen, gemaakt, zitten. Het was genetisch, dat wist hij, maar last had hij er toch van. Zijn vader was grootaandeelhouder. Die dirigeerde handige mannetjes. Zijn moeder was onderwijzeres. Die wond handige mannetjes om haar vinger. Hij was niks en moest roeien met de riemen die hij niet had.
Hij was een soort wijf. Maar dat wijf was wel huisvader, met een vrouw en nageslacht, dat dan weer wel.
Laten we zeggen dat hij andere talenten had.
Als er weer eens een leiding spontaan begon te spuiten, of een lampekap op half zeven hing, of er een gekmakende gaslucht onder de vloer vandaan kwam, belde hij snel de buurman, die hem wilde helpen op voorwaarde dat hij zich een college handige tips zou laten welgevallen. Hij deed dan echt zijn best om de adviezen niet zijn andere oor uit te laten vliegen, en daarom hoorde hij niet alles wat de buurman zei.
Hij knikte beleefd, terwijl hij een stuk gereedschap vasthield om hem het gevoel te geven dat hij elk moment kon inspringen.
Probeerde hij zo'n waterleiding zelf te maken, waar een ringetje was uitgedroogd dat vervangen moest worden, dan raakte hij zo emotioneel betrokken bij de leiding dat hij die gewoonweg kapotkneep aan weerszijden van het euvel, kortom hij kon van een relatief klein probleem een catastrofe maken, omdat hij het te graag wilde oplossen.
Zijn passie was groter dan zijn zelfbeheersing, of iets dergelijks.
Als het kwaad was geschied kon hij soms wel een minuut versteend staan te kijken hoe de keukenvloer blank begon te staan, alsof hij zichzelf wilde onderdompelen in schuld. Hij wilde de situatie goed in zich opnemen om hem daarna te kunnen analyseren. Wat heb ik fout gedaan? Moest ik zoveel kracht zetten? Ja, maar die koppeling zat ramvast. Die wilde niet los. Een knappe jongen die dat anders aan kon pakken. En zo zat hij tegen zichzelf te babbelen, terwijl het water over zijn schoenen liep.
Hij werd pas wakker door het gekrijs van zijn vrouw die gilde dat hij de hoofdkraan moest dichtdraaien. De hele buurt had het gehoord, hij voelde zich ontmand en begon zijn vrouw voor viswijf uit te maken terwijl hij toevoegde dat ze in principe gelijk had, alleen dat ze niet zo'n keel had hoeven opzetten.
Maar weer de buurman gebeld, die met een colgate-smile en een combinatietang in de aanslag even later voor de deur stond. Zijn vrouw deed open met een glimlach-van-duizend-en-1-nacht en het leek of haar borsten uit haar blouse wilden knallen.
Met soppende schoenen gaf hij de buurman een hand. Die lijkt op een reus en zegt: 'Is het weer zover?'

dinsdag 27 maart 2012

Wij heten voortaan

Vanaf vandaag heten wij... arcadis, facadis, obvion, aegon, florius, yarden, fortis, menzis, dexia, samenz, selexyz. U kent het wel. Betekenisloze bedrijfsnamen die de indruk wekken van monumentaliteit en gewichtigheid. Producten van brandingbureau's die voor tonnen maanden aan het brainstormen en pitchen zijn. En bijna zonder uitzondering komen ze de laatste decennia met namen in pseudolatijn of cryptogrieks, die consumenten moeten imponeren.
Hypotheekverstrekkers, ziektekostenverzekeraars, woningcorporaties, uitvaartondernemingen. Er komt een nieuwe baas aan het hoofd van zo'n monstrum te staan dat uit zijn voegen barst van de medewerkers die er een sport van maken om zo onopvallend mogelijk de boel te saboteren. De baas krijgt geen vat op dat zootje ongeregeld en besluit de enorme winsten uit te geven aan pornofeesten voor de staf.
Je moet jezelf soms pamperen.
Ook moet er een andere naam komen. Opdat het nageslacht kan zien dat hij bestaan heeft. Zijn vrouw voedt de kinderen op en maakt er geen geheim van dat ze opgewonden wordt van de zwarte handen van de tuinman, door wie ze zich standrechtelijk, voetstoots en te pas en te onpas laat nemen. Achter het theehuis en in de holle boom.
Hij is er aan gewend dat hij alleen op zijn werk het verschil kan maken. Thuis een castraat, op zijn werk een aap. Fantasienamen die de suggestie wekken van historisch besef, verlatijnste flutsels, ontstaan in het moment van overmoed toen hij een glas water dronk in de pantry, nadat hij zijn secretaresse had geneukt die moest nablijven om zijn visie-voor-de-middellange-termijn uit te werken.
Namen die mist op je netvlies en in je hersens veroorzaken waardoor je niet meer helder kan denken en je veel te dure polissen afsluit en vastzit aan woekerhypotheken tot het eind van je leven waar je kanker van krijgt. Goed werk van de reclamebureau's, want dat was precies de bedoeling. Het kaltstellen van de consument door een naam die übervertouwen uitstraalt, het vertrouwen van een rondbuikige maffiabaas die in de hoek van zijn café zegt 'don't worry, I'll take care of you'.
De z, de x en de y-greque zijn favoriete zand-in-de-ogen-strooiers. Je kunt ze overal voor-, tussen- en achterplakken en meteen krijgt de naam 'meerwaarde': geheimzinnigheid, ongrijpbaarheid. En in plaats van dat bij de consument een belletje gaat rinkelen, gaat hij slapen, omdat hij denkt het zal wel goed zijn.

Niet dat vroeger alles beter was, maar je wist waar je aan toe was. En als je genaaid werd, wist je in elk geval door wie.
Pakhoed, Koudijs, BAM of het poëtische RijnScheldeVerolme. De tijd dat je nog een levend mens aan de telefoon kreeg en geen callcentermedewerker in Bombay die Nederlands uit een boekje heeft geleerd.

Er wordt een nieuw kantoorpand op de Zuidas uit de grond gestampt. Het bedenksel wordt in metershoge verlichte letters naar boven getakeld. Briefpapier, receptie, muren, internetsites, alles wordt aangepast aan 'de eisen van de 21e eeuw', of aan een andere obligate motivering.

De baas gaat met pensioen en rijdt met een Volvo vol kleinkinderen 20 jaar later over de Ring van Amsterdam.
Hij ziet de fopnaam die hij ooit bedacht hoog aan de hemel staan.
Heb ik ze toch mooi te pakken gehad, en tevreden neemt hij de afslag naar Utrecht.

zondag 25 maart 2012

Geestgronden

De dijken tussen Hillegom en Lis zijn geen dijken. Geen water te bekennen. Hoe zit dat? Het is simpel. Amsterdam die grote stad is gebouwd op palen. Maar ook op zand. De dorpen achter de duinen hadden zand. Duinzand. Via de Weespertrekvaart werd het naar Amsterdam gebracht. 5 meter diep, honderden hectares.
Alleen de wegen tussen de afgravingen bleven op de oorspronkelijke hoogte. Spookdijken. Achter de dijken lag dus een voorbereide Vinex-locatie avant-la-lettre, immense laagtes van 5 meter diep. Wat moesten ze daarmee aanvangen? Geen idee. Het geld voor het zand was verdiend, daar ging het om. Je moet praktisch zijn in het leven.
Tot er een gauwdief uit Lis op een nacht uit de hortus botanicus van Karel Klus een tulp stal en die verstopte in de zandgrond achter zijn schuurtje. Die tulp groeide als kool en bloeide als een aria van Mozart. Dat smaakte naar meer. Dus bekeek hij in het najaar de uitgegroeide bol. Hij bewaarde de uitgroeisels en plantte die ernaast. En een halfjaar later had hij 6 tulpen enzoverder enzovoort. Hij stopte ze lekker warm in met stro, en een mengsel van klei en veen en het jaar erop groeiden ze nog beter. Hij hoefde allengs niet meer uit stelen te gaan omdat hij zijn tulpen voor astronomische bedragen kon verkopen.
Er ontstond een tulpenbubbel. Als ongedierte na de winter vlogen speculanten, dilettanten en geldwisselaars op de tulpen af. De waarde van 1 tulp was gelijk aan een buiten met een fraai terrein eromheen. Er is niks nieuws onder de zon.
Maar de bubbel knapte, het ongedierte ging op zoek naar andere kadavers en de gronden waren voortaan elk voorjaar bezaaid met alle kleuren van de regenboog.
Als de bloemen van het veld zijn en de dagen korter worden en je in de richting van de Noordzee kijkt zie je, als je goed kijkt, de oude duinen weer. De aarde sluit zich. De dijken zijn weer gewoon wegen. En je kunt zo doorlopen naar het strand.
En dat is waarom deze gronden de Geestgronden worden genoemd.

Desalniettemin

Voor jarenlang verzet tegen de gevestigde orde werd hij beloond met een fikse beroemdheid. Hij had het wel zien aankomen, maar dat het zo aanstekelijk was, verraste hem desalniettemin.
Nu was de vraag, hoe kom ik ervan af.
Doorgaan met beledigen maakte hem alleen maar populairder. Ook het matigen van zijn toon zou slechts worden gezien als een verkapte vorm van hetzelfde. Het zou als minachting worden opgevat en net zo worden gevreten, als het geschreeuw waardoor hij op het schild was gehesen.
Hier moest uit een ander vaatje worden getapt.
Overdonderd door zijn nieuwe status had hij een paar interviews gegeven, was er een cameraploeg in zijn tuin geweest en was hij gebeld door redactrices wier stemgeluid zijn hart sneller had doen kloppen.
Zijn geloofwaardigheid had hierdoor al wat butsen opgelopen. Het schoppen tegen de gevestigde orde zou niets anders zijn geweest dan een hefboom voor beroemdheid? Al die strapatsen, verongelijktheid en scherpslijperij zouden een trucje zijn geweest om zich te laten inlijven in de paleizen van de uitverkorenen?
Was al dat gif uit hem gestroomd om zijn ballen te offeren op het proscenium van de verhevenheid?
Kon hij een modus vinden om aan deze inlijving te ontkomen, om de onschadelijkheid terug te draaien, zijn mannelijkheid terug te vorderen?

Hij moest niet over een nacht ijs gaan.

En toen wist hij het.
Ik ga de beroemdheden die mij in het volle licht hebben geplaatst beledigen. Niet in het algemeen. Maar op de man. Ik ga zeggen ik weet niet waarom ik in uw stomme programma zit, uw trendy blaadje help te vullen, uw zelfgenoegzame radiouitzending luister bijzet. Ik weet het niet. Ik weet niet wat mij bezielde. Het was de bedoeling tegen u aan te trappen. Een marginale figuur te blijven. Ik wilde gehoord worden. Daarom heb ik uw uitnodigingen geaccepteerd. Maar ik wil uw vriend niet zijn. Ik walg van uw tevredenheid met uw scherpzinnigheid, maar ik walg bovenal van uw kaste van beroemdheden die zich verheven voelt boven de naamlozen en die zich gelegitimeerd weet door een leger uitgeputte slaven die 's avonds geen pap meer kunnen zeggen en apathisch alles opzuigen wat u zegt.

Hij zou worden uitgekotst, genegeerd en vergeten.

Zo zou hij het doen.
Hij zou terugvallen in naamloosheid en voortaan schrijven voor naamlozen die geen gek mannetje van de radio nodig hadden om hen te vertellen wie er leuk is en wie er stom is.
Een communistenleider après-la-lettre die de massa met ondergrondse missives wil opstoten in de vaart der volkeren. Een dictator die, eenmaal aan de macht, alle media verbiedt, en zelf een nieuwe bijbel schrijft.

woensdag 14 maart 2012

On the fly

De enige leiding die ons met de civilisatie verbindt is een electriciteitsleiding.
Voor verwarming hebben we kolen en hout. Water zit in de grond. Telefoon en internet vliegen door de lucht.
Het is niet uitgesloten dat op een ochtend koud water uit de douche komt, omdat er iets loos is met de kolenkachel. We zijn dit soort geintjes wel gewend, dus ons humeur heeft daar niet onder te lijden. Je kunt niet alles plannen, niet in de stad, maar in het niemandsland waar wij wonen, sta je nergens meer van te kijken.
We geloven niet in God, maar in het Noodlot.

Sinds kort zijn we onze afzondering commercieel aan het uitbuiten. En dat verhoudt zich slecht met ons relaxte flegma.
Een gast die 's morgens getrakteerd wordt op een koude douche, kan door het lint gaan. Of zijn vrouw, nog erger. De man zegt nog zoiets van dat is goed voor je, je hebt een saai leven, en dan heeft hij de poppen aan het dansen en gaat zijn onvolkomen huwelijk op zijn gastheer afwentelen.

Om dit voor te zijn heb ik een cursus kacheluitelkaarhalen gevolgd. Ik kan nu zelf 'on the fly' onderdelen vervangen. Hoef niet te wachten op een joviale monteur die een dag later komt en pas aan het werk gaat na het roken van een sigaret en het vullen van mijn toilet.

maandag 12 maart 2012

Zigeunerkind

Mijn moeder was een nationale beroemdheid.
Als klein kind werd ik in de 2CV overal mee naar toegenomen. Ik stond in het voorjaar op de voorbank van de eend (niks kinderstoeltjes) mijn handen geklemd om de opening van het dak. We scheurden door Heemstede en ik zag de eerste Surinamer. "Mam, een never", gilde ik.

Eerst een vanilleijsje, zo'n rechthoekige, wafeltjes apart verpakt, halen bij Jamin, door mijn moeder steevast uitgesproken op zijn Frans: Sjamèh. Frans was hip begin jaren 70, met de Nouvelle Vague, Shaffy Chantant en elk restaurant heette Bistro, u weet wel, met een druipkaars in een fles in een mandje. Iedereen was artistiek. Plafonds hingen vol met muziekinstrumenten of gereedschap. Gezellig kunstzinnig.
(Vandaag nog te vinden in Pannekoekenrestaurants in de Achterhoek, of overal in Polen. Dat ligt achter de Achterhoek.)

Dan naar de masseuse. Ze heette Fonckert en zat in Overveen. Ze had een roeimachine, een klimrek en zo'n zware lederen oefenbal, waarmee ik me tijdens de behandeling mocht vervelen.

Daarna naar de kapper in Bovenkerk. Eerst ging ik rollen door de haren op de oranje linoleum vloer. Daarna liep ik naar buiten. Daar was een spoorwegovergang, waar ik ging spelen. Het was dood spoor. Geen gevaar.

Als laatste naar de bontwerker in Amsterdam-Zuid, Scheldestraat.
Kroketten op het Olympiaplein. Ik had een hekel aan de bontwinkel omdat het er zo benauwd was. De benauwdheid van tapijthallen. Je wilt meteen al je kleren uitgooien en naar een koele wc rennen met uitzicht op een natte binnenplaats.
Ik liep tussen de jassen door, ogen dicht, een gang van zachte haartjes. Roodvos, zilvervos, nerts. Zocht steun bij het koude metaal van de rekken. Stuitte op een spiegel. Zag mezelf. Zette mijn tong tegen het glas. Bleef naar mezelf kijken terwijl ik een slijmspoor maakte naar de rand van de spiegel. Verloor mijn evenwicht, zocht steun bij de spiegel, die met een doffe klap op de vloerbedekking viel.
In duizend stukken.

Okura

Ooit woonde ik op de Jozef Israelskade, een steenworp van de Amstel.
Onze slaapkamer liep in een Amsterdamse-School-boogje over de Topaasstraat.
Het was midden jaren 90. We werden niet weggepest. Misschien omdat we geen homo's waren. Opgegroeid in de jaren 80 met de IT, de Roxy, RUR, Oblomov en Tijn Akersloot (als je je tieten niet liet zien mocht je niet naar binnen) was ik gewend om als het even kon zonder kleren aan door mijn eigen huis te bewegen.
De keuken was aan de Topaasstraat en toen ik in een flits een gezicht zag wegschieten (gordijnen niet dichtgedaan) voor een raam aan de overkant, realiseerde ik me dat mijn schaamteloosheid op gespannen voet stond met de riten van woestijnvolken. In hun ogen was ik in het beste geval een kermisattractie en in het slechtste geval een belediging.

We lijnden de hond aan en gingen de kade aflopen in de richting van de stad. Bij het Okura zagen we dat de Poolse vlag op zijn kop was opgehangen.  
Verder wapperden de Japanse, de Nederlandse en de Amerikaanse vlaggen.
Mijn vriendin was Pools, dus vandaar dat het een issue werd. We gingen verhaal halen bij de receptie en ze waren verbaasd. Ze zouden het onrecht zo snel mogelijk herstellen. We liepen terug naar onze multiculturele krachtwijk, lachend over de vergissing van Okura, over de onverschilligheid van bedrijven waar veel mensen werken en glimlachend over ons kritisch vermogen.
Drie maanden later kwam ik erachter dat de vlag toch goed hing.
Het was de Indonesische.

woensdag 7 maart 2012

At your service - een ode aan Pim Fortuyn

Voorjaar 2002.
Gefascineerd door Pim Fortuyn vrat ik alles wat er in de media op mijn pad kwam. Elk keer als ik iets las of zag kreeg ik kippevel van ontroering en had de indruk dat er ergens engelen begonnen te zingen van YES YES YES.
We hadden jaren van politieke correctheid achter de rug, waarin er een doem lag op het open bespreken van pijnlijke maatschappelijke issues. Iedereen had last van de schrijnende brutaliteit en ongestrafte criminaliteit van groepen Noord-Afrikanen, maar niemand mocht het beestje bij de naam noemen.
Over de Islam mocht alleen worden gesproken als over onbespoten fruit in de reformwinkel. Gedempt en vol vals respect.
Pim maakte daar als eerste korte metten mee.

Hoe gingen de media hiermee om?
Als Pim al aan het woord kwam, werd hij meer behandeld als een bezienswaardigheid, een dorpsgek, dan dat hij de gelegenheid kreeg zijn standpunten over het voetlicht te brengen. Het was de brenger en de aanzegger van verboden zaken en bij alles voelde je dat zijn politieke tegenstanders hem het spreken onmogelijk wilden maken.
Het filmpje waarbij Pim een legergroet brengt bij zijn verkiezing tot leider van Leefbaar Nederland -At Your Service- werd tot in den treure herhaald en nu eens geduid als een kolderieke act van een clown en dan weer als een Hitlergroet van een ophitser.

De politiek.
Ik kan me nog de ongekende arrogantie herinneren van Ad Melkert die voor een zaal partijgenoten reageerde op het beruchte interview met Pim in de Volkskrant waarin hij een lans brak voor de vrijheid van meningsuiting (het recht om onwelgevallige dingen te zeggen over een intolerante godsdienst of over de misinterpreterende intolerante belijders ervan, maar dat komt op hetzelfde neer).
Hij maakte van Pim een dilettant en een landverrader. Er kwam geen weloverwogen argument aan te pas. Links stond te schuimbekken als door de duivel bezeten.
Ook Thom de Graaf van D66 was de weg kwijt en haalde Anne Frank erbij.

Hierop volgde de crisis in Leefbaar Nederland, waarbij Pim of moest inbinden of vol zou houden. Hij hield vol en ging alleen verder, de terugtrekkende bewegingen van Leefbaar onder leiding van meester-sedator Jan Nagel achter zich latend. Pim had op tijd gezien dat het virus van de oude politiek, lees de angst om moeilijke issues scherp neer te zetten, ook in zijn eigen partij was gaan woekeren.
Zijn mediastrateeg Kay van der Linde zag dit niet en beging DE vergissing uit zijn carrière. Pim niet volgen.
En Pim reed weg in zijn Jaguar.
Ik zeg u, ik word minister-president.
De Leefbaren maakten de capitale inschattingsfout dat de kiezer zich af zou wenden van die extremist die zojuist in zijn Jaguar was weggereden. Maar in de slipstream van de auto zoog hij die hele partij leeg tot het vacuum trok.

Waarom was Pim zo betoverend?
Omdat hier iemand sprak met het hart op de tong en dat kenden we nog niet. Hij was een verademing. Zijn woorden vlogen je oren binnen als vogeltjes die een nestje in je hart bouwden. Letterlijk voltrokken zich fysieke veranderingen. Je hart ging sneller kloppen, je begon te zweten, je gloeide van het kippevel.
Letterlijker kan het begrip inspiratie niet zijn. Je hoorde of zag hem en werd aangeblazen, de energie stroomde binnen en je had weer zin om te leven.

Een ander element in de aantrekkingskracht moet geweest zijn de wil om de zittende politici, die alles beter wisten en elk idee van Pim afdeden als hekserij, te willen onttronen. Als een vader die elke vorm van nieuw leven in de zoon chronisch onderdrukt en die je geen andere optie laat dan hem de hersens in te slaan.
Er was geen doorkomen aan in de oude politiek. Ze snapten het niet. Ze luisterden niet. Ze ontkenden, negeerden, demoniseerden en haatten dat het een aard had.
Ze gingen niet in op WAT Pim zei, maar wilden alleen met hem debatteren over HOE hij het zei. Paternalistisch, vernederend, arrogant tot op het bot.

De journalistiek volgde deze trend even laf als het koor in een Griekse tragedie. Roepend vanaf de zijlijn, maar zelf buiten schot blijvend. Zichzelf verslikkend in insinuaties, suggesties en verdachtmakingen.
Iemand als Frank du Mosch van Netwerk was exemplarisch voor de schandalig lafhartige manier van ondervragen, die slechts het doel had Pim te kruisigen in plaats van iets van hem te weten te komen. Een nitwit van een journalist die je na honderd uitzendingen nog niet kent, en die dacht dat zijn carrière een vlucht zou nemen door Pim te grillen.
Maar eigenlijk is het noemen van deze onderkruiper al te veel eer voor een derderangs-vragensteller zonder persoonlijkheid.
Zelfs, of misschien juist Ivo Niehe kon het niet laten zijn vragen op zo'n manier te formuleren dat vooral duidelijk werd dat de interviewer de extreme standpunten van Pim toch wel een brug te ver vond. Inmiddels is de samenleving zo veranderd dat als je Ivo Niehe's vragen nu terugziet je alleen maar denkt 'wat een lafaard'.

Maar dit was alles te verdragen, want het koren van Fortuyn zou gaan bloeien.
Die hele misjpoge van gecorrumpeerde politici in concubinaat met gecorrumpeerde media zou Fortuyn met een kanjer van een mandaat weg gaan blazen.

De valse noten die werden gekraakt, direct na de moord, door Wim Kok, en hele ritsen politici die zich haastten te verklaren dat ze het verschrikkelijk vonden, terwijl de opluchting door hun poriën naar buiten gierde.
Het gedraaikont van Klaas de Vries, Minister van BZK, een notoire Fortuynhater, die direct zijn straatje schoonveegde over de beveiliging van Fortuyn. Dat hij geen fouten had gemaakt en alle geldende protocollen had gevolgd. Schaamte der schaamtes. Geen spoor van pijn dat hij ervoor had kunnen zorgen Pim te redden.
Melkert, Dijkstal, de Vries, de Graaf die gedwongen waren door de erehaag van duizenden applaudiserende mensen te rijden in Rotterdam om afscheid van Pim te nemen en die hem nooit iets beters hadden toegewenst dan wat hij nu was: uit hun leven. Gebed verhoord.

En de pers die massaal inbond qua toon, omdat het niet chique is om tegen een lijk aan te gaan trappen, maar die tegelijkertijd eerder opgelucht leek, verlost van die lastpak, waarbij je nooit wist hoe je je moest opstellen.
Men laat nog wat natte winden van 'een groot politicus' en 'een moedige man', maar niet van harte.
Men gaat over tot de orde van de dag. Dit waait over. Er is geen tweede Fortuyn, lees er is de eerste honderd jaar niet weer zo'n gek.
De arrogantie van de macht.

Hoe mis kun je het hebben.

Epiloog.
Dijkstal bleef onbegrijpelijke dingen zeggen.
De Graaf bleef onbegrijpelijke dingen zeggen.
Melkert bleef zichzelf geselen in een bunker in Bagdad en is tot op de dag van vandaag niet in staat zichzelf te vergeven.

De pers die tijdens zijn leven te laf was om Fortuyn op waarde te schatten, is post mortem te laf om dat standpunt vol te houden.
Nu is Geert Wilders de nieuwe schietschijf geworden, hoewel die oprechte waardering krijgt voor zijn politieke slimheid. Maar over de moed die daaronder ligt hoor je niemand.

Nederland, wees zuinig op uw helden!

Vlinder

Mijn vrouw vond gisteren, ingeklemd tussen 2 houtnerven, een vlinder, vleugels tegen elkaar geplakt. Hij kon dood zijn. 
We werken samen. Ik breng de blokken van buiten en zij stapelt ze op in de buurt van de kachel. De vlinder kwam tevoorschijn van onder de blokken.
Ze pakte hem voorzichtig bij zijn vleugels van carbonpapier en legde hem op de roestvrijstalen voet van een ikealamp, zodat hij tot zichzelf zou kunnen komen.
Een poosje later zat de vlinder in de vitrage.
Dit kan geen vlinder zijn, maar een nachtuil, een mot. Zo probeerde ik de romantiek om zeep te helpen.
Volgens Herman van Veen, Irene van Lippe-Biesterveld of Shirley Maclaine is een vlinder in de winter, een geliefde die vanuit een andere wereld probeert ons iets te zeggen. Ik moet me bij mijn leest houden. Ik ben gezegend of gestraft met een beperkte gevoeligheid voor het zien van dingen die er niet zijn. Ik sta er open voor. Ik hou van bomen, maar ik ga ze niet omhelzen. Hooguit leg ik mijn hand met mededogen tegen de bast als ik omhoog kijk om in te schatten waar hij gaat vallen, voordat ik de motorzaag erin zet.
Maar deze vlinder blijft me intrigeren. Wat wil hij zeggen? Waarom fladdert hij door het huis? Buiten is het rond het vriespunt. Er is niks te eten. Hem vrijlaten is hem doden.

En terwijl Herman, Irene en Shirley zich laven aan een licht dat voor mij verborgen is, strompel ik over mijn terrein onder mijn voeten ongewild pissebedden, torren en andere onderkruipers dodend, bij wijze van spreken, want het ongedierte slaapt nog.
Ik was mijn handen in schuld, dat ben ik aan mijn verstand verplicht. Ook aan mijn gevoel trouwens.

donderdag 1 maart 2012

Een lente

Het dooit. Alles lekt, druppelt en dampt. Mijn winterlaarzen zuigen zich vast aan de grond. Er komt engelenhaar van de kerstboom van begin januari onder de sneeuw tevoorschijn. Modderige lokken. De vogels roeren zich met opportunistisch gezang. De aarde is nog geurloos. De vijver krijgt haar contouren terug. Ze bestond 2 maanden niet. Het resterende ijs geeft een grijsgroenblauwe gloed, als een gifpoel van een lozende fabriek.
De drollen van de honden liggen her en der verspreid. Het leger ongedierte dat dit moet opruimen is nog beurs van de kou. Niet gepredispositioneerd.

Moet men rotten of kiemen? Of allebei?

Overal zoeken beekjes zich een weg door het gras naar lagere gronden.
Het is nat, het kleeft, het is vies, het ruikt naar stront en het ruikt zoet. Twijgen strekken zich onwenning maar gretig uit naar waar ze denken dat het licht vandaan komt als de stok van een blinde die een zebrapad oversteekt. 
Vogelgezang zwelt aan, zonder opportunisme nu, er moeten zaken worden gedaan maar hoe is nog de vraag, de knoppen staan op knappen, het gras vecht zich een weg door de hooilaag heen.

En dan barst de bom.

Gekrijs van de vogels oorverdovend, bloemen spatten open, knoppen scheuren, jong blad wringt zich binnenstebuiten, scheuten schieten naar het licht, insecten vliegen rond alsof ze nooit zijn weggeweest, het nieuwe bos joelt in de tetterende zon, de weide is zo naakt en uitnodigend dat het bijna een belediging is.

Geen geboorte zonder geweld.

Alles is vloeibaar

Mijn vrouw heeft last van haar rug. Ze heeft haar vriendinnen gevraagd welke dokter goed is in ruggen en is naar die man toegegaan. De ruggedokter verwees haar naar een neuroloog. En de neuroloog naar een fysiotherapeut. Van de fysiotherapeut ging ze naar een kraker 100km verderop. De kraker was in 5 minuten klaar. Volgende week terugkomen. Omdat mijn vrouw geen zin had om weer 4 uur in de auto te zitten voor 5 minuten behandeling, wendde ze zich weer tot haar vriendinnen om te kijken of er geen dokter dichterbij zat. Daar was ze al geweest en ze wist niet meer waarom ze daarna naar een ander was gegaan, want hij hielp haar van haar pijn af.

Je auto is stuk. Je vraagt welke garage goed is. Nee, die is goed in motoren, maar hij kan geen versnellingen. Die kan het wel, maar die heeft de eerste 3 maanden geen tijd. Die is heel goed, maar vergeetachtig, je moet niet verbaasd zijn als je wielen onder je auto wegvliegen, omdat hij vergat de schroeven vast te zetten. Die is goed, maar die is onbetrouwbaar qua prijs, het wordt altijd 2 keer zo duur. Die beheerst zijn vak, maar denkt niet zelf na. Hij kijkt alleen naar wat je vraagt, lost dat op, maar als er iets anders rammelt, dan kan hem dat niks schelen. Dat was niet de opdracht.

Biermerken.
Elk half jaar is er een ander merk goed. Er gaan roddels rond over overnames, over verandering van de receptuur. Dit is geen land dat bestaat uit 3 soorten mannen, Grolsch-, Heineken- en Amsteldrinkers, nee hier is niemand merktrouw. Ontrouw is een overlevingsmechanisme. Want iedere producent die een succes is, gaat direct kijken hoe hij meer winst kan maken door de boel te beduvelen. Aanlengen met water, derderangs grondstoffen inkopen etc. -ze merken er toch niks van- en de klanten lopen weg. De producent trekt de haren uit zijn hoofd en bonkt met zijn kop tegen de muur over zoveel lichtzinnigheid. Hij was on-top-of-the-world maar kon de verleiding niet weerstaan zijn klanten te belazeren. It was beyond his control.
Die Ferrari waarover hij droomde toen hij vroeger naar het ranzige plafond staarde, uit zijn slaap gehouden door het gesnurk van zijn grootvader, moest en zou gekocht worden, nu het kon.
Weg met die ranzigheid, ik wil eindelijk kwaliteit.

Voor wodkamerken geldt eenzelfde trendgevoeligheid. Voordat je inslaat pols je altijd je vrienden over wat nu goede wodka is.

Benzinestations.
Je moet daar niet gaan tanken, want ze hebben water bij de benzine gedaan, daarom is de prijs zo goed. Die daar was vroeger ook malafide, maar die is gepakt en sindsdien verkopen ze goed spul. Maar zijn vrouw is vorig jaar overleden, de begrafenis was duur, dus of het nog steeds zo goed is...

In Polen is alles vloeibaar. Je weet nooit welke dokter, reparateur, wodka, benzine, welk bier je moet hebben. Dit kom je te weten door te vragen wat er leeft. En vaak zegt de een iets anders dan de ander. Je wordt op je eigen oordeel teruggeworpen. Misschien is dat wel goed. Het is vermoeiend, maar houdt je wakker.
In Nederland blijken de in beton gegoten pensioenen ook vloeibaarder dan gedacht.
Dus. Geef je lot nooit uit handen. 

dinsdag 21 februari 2012

De vlaggenschreeuwer

Die middag zat ik een stukje te tikken. Vanaf waar ik zat kan ik niet naar buiten kijken. Ik ging op in het verhaal, terwijl er op de achtergrond iets gaande was. Iets wilde mijn aandacht vangen. Als een zoemende mug in je slaap, waarvan je weet dat hij al minuten bezig is als je wakker wordt. Dat iets werd steeds pregnanter, totdat ik doorkreeg dat er buiten iemand aan het brullen was. Ik woon in een buitengebied. Schreeuwende mensen, dat betekent iets. Ook had ik het gevoel dat dat geschreeuw voor mij bestemd was. Dus stond ik op en keek uit het raam. Op het bergpad zo'n 100 meter van mij af, keek een man mij aan. Voor hem en achter hem liep een vrouw. De vrouwen waren van middelbare leeftijd, een soort walrussen. Mijn huis heeft wel 20 ramen, maar de man had mij direct gespot en schreeuwde als was hij van de duivel bezeten: Wit en Rood, Wit en Rood!
Ik dacht wat heb ik nou aan mijn fiets hangen en werd ongerust. Ik ging weer zitten om alles op een rijtje te krijgen. Ik stond weer op, de man was een paar meter verder gelopen, draaide zich om, boorde zijn blik door mijn raam en door mijn netvliezen en weer klonk het Wit en Rood, Wit en Rood plus een aantal verwensingen waarvoor mijn Pools tekort schiet. De man beschuldigde mij op afstand. Ik liep door mijn huis naar een ander raam, om te kijken of de gek mij weer zou spotten als een hittezoekende raket en jawel hij keek dwars door de muren heen en zag mij nu in de keuken staan. Inmiddels snapte ik waarom het de Pool te doen was. Mijn Amerikaanse vlag had hem beledigd. Er stond een forse bries, de vlag wapperde trots, dat is een feit. Ik hou niet van halve maatregelen en een vlag van 2 bij 3 meter hangt er om gezien te worden, maar dat patriottisme zo kon doorslaan, daar had ik niet mee gerekend. De man bleef schreeuwen tot hij uit het zicht was. Toen ik weer was gaan zitten hoorde ik hem in de verte nog steeds loeien. Ik had een Pools hart gekrenkt. De man had door mijn muren heen met mij willen afrekenen, en ik moet toegeven dat het mij niet onberoerd liet. De dag erop hees ik de Nederlandse vlag en stiekem hoopte ik dat de gek nog eens zou komen. Hoewel het maar de vraag is of de reactie even verbeten geweest zou zijn.

zaterdag 11 februari 2012

Ander vuur

De schoorsteen van de Gezusters Kip staat in de brand. Het lijkt op een herfstvuur om takken te verbranden, je ziet in het donker niet wat de bron is. Maar er ligt 1 meter sneeuw, het is hartje winter, het is ander vuur.
We bellen om te vertellen dat hun huis in de brand staat. Een zus neemt op. Ze weet het en huilt. De brandweer komt eraan.
We gaan er niet naar toe, we kunnen niks doen.
Even later scheren er ijskoude halogeenbundels kriskras over het dak. Het vuur wil niet uit. We weten dat er een man op het dak moet staan die de schoorsteen volschept met zand. Het vuur krijgt steeds een duw van het zand, maar laait daarna weer op. 
Terwijl we in een donkere kamer boven in ons huis staan te kijken geeft mijn vrouw mij les over schoorstenen: als je veel naaldhout, zoals den, spar, larix in de kachel gooit of nog erger denneappels, dan krijg je aan de binnenkant van je schoorsteen een harslaag. Als je ook nog bezuinigt op de schoorsteenveger, vliegt je schoorsteen op een zeker moment in de brand als een lucifer.
Ik betrap mijzelf erop dat ik me voorstel hoe het zou zijn als dat huis in lichterlaaie zou staan, hoe het hele dal verlicht zou worden en hoe de hoeve er morgen narokend en verschroeid bijligt, alsof een bende verkrachtende en brandschattende Tataren in gestrekte galop voorbijvlogen met een Aziatische glimlach en het zwaard getrokken.
Het vuur is uit.
Het rookt nog na. Bij het ochtendlicht zullen we weten of hun dak is aangetast.

's Morgens breng ik mijn zoon naar school en kom langs het huis. Ik denk aan iets anders en vergeet te kijken. Als ik terugkom belt mijn vrouw of ik sigaretten van het merk 'Extra Sterk' wil kopen voor de buurvrouw van de brandende schoorsteen. Ik stop bij het huis en zie nu dat het dak er gewoon uitziet. De vrouw loopt als een geslagen hond naar mij toe. Ik geef de sigaretten.
Er is niks beschadigd, het zand is al uit de schoorsteen gehaald. De schoorsteenveger komt zo. Het is -15 graden. Als ik het niet meer uithou van de kou, kom ik bij jullie opwarmen. De stank is niet te harden.
Ik vraag hoe ontdekte je het. Ze zegt ik wilde gaan slapen en keek uit het raam. Ik zag oranje sneeuw en het oranje bewoog. Dat had ik nog nooit gezien.

donderdag 9 februari 2012

Oversprong

Bepaalde woorden komen in je leven als zwervers. Opeens staan ze voor je neus en doen alsof ze er altijd bijhoorden. Jij bent het die abuis was dat je van hun bestaan niet afwist. Dat verwijt maakt de omgeving die het nieuwe woord je leven binnenfietst. Je hebt het bij ziekenhuizen, sportclubs en zwangerschapsyoga. Een voorbeeld van zo'n woord is oversprong. Het betekent dat je iets raars gaat doen als je niet kan kiezen tussen de ene en de andere adequate reactie. Je loopt door de Kinkerstraat, opeens heb je gezelschap van 5 Noord-Afrikanen. Je wilt om ze heen lopen, maar dat is niet de bedoeling, want wat je ook doet ze blijven je gezelschap houden. Je rent niet weg. Je deelt geen klappen uit. Je begint een gelogen verhandeling over je oom die hier boven woonde, op nummer 5 en dat je hem vreselijk mist. Je zegt dat je er helemaal kapot van bent en hoopt mededogen te kweken. De tranen stromen langs je wangen, je zoekt steun tegen de huismuur. Het gezelschap begint zijn geduld te verliezen en in de zakken te graven naar hulpmiddelen om onze ontmoeting een intenser karakter te geven. Ik zet mijn nagels in de muur en laat ze afglijden naar de grond. Behendig laat ik mezelf in elkaar zakken tussen twee hondendrollen. Ik lig nu in foetushouding op de grond en steek mijn duim in mijn mond. Door mijn wimpers zie ik dat de groep een terugtocht overweegt, het is na het 8-uurjournaal, de straat is nog levendig met voorbijgangers die steeds geinteresseerder worden in de liggende gedaante die zichtbaar is tussen de kooi van benen. Hoe dit afloopt is niet relevant, want het voorbeeld is gegeven.
Oversprong kwam in mijn leven op de puppytraining toen ik de illusie had een psychisch gestoorde Drentsche Patrijs op te kunnen voeden.
Als het beestje niet wist of het mocht komen bij de baas of niet, bleef het op zijn plek zitten gapen. Oversprong.
Of een politicus die een taart in zijn gezicht krijgt tijdens een persconferentie, een likje neemt en zegt: mjammie aardbeien.
Je hond is niet opvoedbaar (het ligt natuurlijk aan de baas, die heeft een probleem), je stopt met de hondentraining.
Daarna verdwijnt zo'n woord weer even geruisloos als het kwam en blijft latent in je geheugen als de naam van je eerste juf op de kleuterschool.

zondag 5 februari 2012

Matthijs stopt

Dames en Heren,
Na veel zinvolle gesprekken, oeverloze discussies,  duizenden cappuccino's, dronken avonden en slapeloze nachten heb ik het volgende besloten.
Aan het eind van dit seizoen stop ik met De Wereld Draait Door. Ik doe dit een jaar of wat en nog steeds met ongekend plezier en vol enthousiasme. En niet alleen ik, maar ook de mensen achter de schermen zonder wie dit alles niet mogelijk zou zijn. En natuurlijk dankzij de tafelheren, de jakhalzen en de vele vaste gasten die altijd bereid waren, vaak op korte termijn, naar ons toe te komen. We hebben zo'n beetje alles gewonnen wat er te winnen valt in televisieland. We zijn op de toppen van ons kunnen en dit hoogtepunt is bestendig. We zijn in staat dag in dag uit, week in week uit een constante kwaliteit vast te houden.
Er is geen gezondheids- of privéreden voor dit besluit. Soms moet je gewoon luisteren naar je gevoel. En mijn gevoel zegt dat het tijd is om af te ronden. Succes zoals ik, zoals wij dat gekend hebben is iets wat ik iedereen toewens. Maar de keerzijde van jarenlang succes is dat het ook een harnas wordt, een dwangbuis die je soms kan belemmeren vrij te ademen. Ik vind het heerlijk en spannend wat ik doe, maar de dwang ervan begon de laatste tijd steeds onaangenamer te knellen. Ik weet dat we veel mensen teleurstellen, want we hebben besloten dat met mij het programma in de huidige opzet verdwijnt. Het is aan anderen nu om onze standaard te overtreffen met een nieuw format en een nieuwe presentator.
Maar, zoals gezegd, tot het eind van het seizoen bent u nog niet van mij af. We gaan er nog tot eind mei tegenaan om u er langzaam aan te laten wennen.
En dan nu over tot de orde van de dag.

zaterdag 4 februari 2012

Even kijken

Hebt u dat gezien?

Dan gaan we eerst kijken.

Laten we eerst even kijken.

Ik heb het niet gezien dus ik kan er niks over zeggen.

Laten we voordat we verder praten eerst even kijken.

Wilt u voordat we gaan kijken nog iets zeggen of komt dat daarna wel?

We gaan eerst even kijken en daarna reageert u.

Wanneer wordt het uitgezonden? Over drie dagen? Goed, dan weet u het. Over drie dagen allemaal kijken, dus.

Ik zie het wel eens, maar ik kijk er bijna nooit naar.

Ik zag het en viel bijna van mijn stoel.

Heeft u gekeken of was u in slaap gevallen?

Of was u aan het kijken en viel u toen in slaap?

Of viel u in slaap omdat u aan het kijken was?

Iedereen zat te kijken, de straat was uitgestorven.

Je had het moeten zien, je gelooft je ogen niet.

De beelden zijn schokkend.

Hebben we daar beeld van, jongens?

We wachten op een instart, als de regie ook zover is.

Ik weet niet of, nee die beelden hebt u nog van mij tegoed, de verbinding is tijdelijk weggevallen.

Met excuses voor het wegvallen van de ondertiteling.

Kun je mij horen? Ik zie jou wel, maar ik weet niet of je mij ziet. Ik kan je in elk geval niet verstaan. We zien jou wel. We komen straks bij je terug.

Als u niet gekeken heeft, waar hebt u het dan over?

Als u niet gekeken heeft, hoe weet u dan wat er gezegd is?

Dat u het niet heeft gezien, maakt u er niet geloofwaardiger op, vindt u niet?

De beelden zijn 700 miljoen keer bekeken en u durft hier te zeggen dat u het niet gezien heeft?

Blijf kijken

Blijf kijken

Blijf kijken

Blijf kijken

Blijf kijken

donderdag 2 februari 2012

Bij de dood van Wisława Szymborska

[ongepubliceerd gedicht van Wisława Szymborska. Een paar dagen geleden vrijgegeven. Geschreven in het najaar van 2011. Vertaling Filip Fokkens.]

Tot het eigen gedicht

In het beste geval
word je, mijn gedicht, aandachtig gelezen,
besproken en onthouden.

In het ergste geval
slechts gelezen.

Een derde mogelijkheid-
daadwerkelijk geschreven,
maar daarna in de prullenbak gegooid.

Je hebt nog een vierde optie-
je verdwijnt ongeschreven,
tevreden wat tegen jezelf kreunend.


Do własnego wiersza

W najlepszym razie
będziesz, mój wierszu, uważnie czytany,
komentowany i zapamiętany.

W gorszym przypadku
tylko przeczytany.

Trzecia możliwość-
wprawdzie napisany,
ale po chwili wrzucony do kosza.

Masz jeszcze czwarte wyjście do wykorzystania-
znikniesz nienapisany,
z zadowoleniem mrucząc coś do siebie.

zaterdag 21 januari 2012

Dieren

Iedereen met kleine kinderen kent het waarschijnlijk. Om de zoveel tijd is het weer zover. Je kind wil een dier. Het dierenquotum varieert. Op dit moment is het matig, 2. Maar een paar jaar geleden hadden we er 10. 6 geiten, 2 katten en 2 honden. Alleen de honden zijn over.
Mijn jongste van bijna 5 heeft bedacht dat hij een schildpad wil. 
Ik heb hem subtiel doch duidelijk gezegd dat als er een schildpad het huis inkomt dat papa dan in het duurste hotel van ons bergdorp gaat zitten, compleet met wellnessbehandelingen en detox.
Voor de geest kwamen me weer de konijnen die ik gratis in IJmuiden kon afhalen, -2 dat is gezelliger voor ze- en die ik na een paar weken moest zien creperen door een mysterieuze darminfectie. De agonie van het laatste beestje duurde een hele nacht. Liggend op de zij, zwaar ademend onder een dekentje tegen de kou.
Toen het licht werd was het gelukkig voorbij.

Je haalt niet alleen dieren in huis, maar ook hokken, voer, draaimolens, watergeefinstallaties, handboeken, kortom kosten, kosten, kosten.
De behoefte aan een hamster komt 1 keer per 2 jaar langs. Ik ben er nu 2 keer ingetrapt, maar sta op scherp voor de 3e keer, ik laat mij niet meer ringeloren, door de onweerstaanbare maar bedrieglijke glimlach van mijn eigen kinderen.
Het beestje wordt gekocht, 2 dagen is het een hype en wordt ervoor gezorgd en daarna is het vergeten. Het is hetzelfde als met speelgoed. De Wii was 2 dagen hot en staat nu grijs van het stof in een hoek.
De zorgplicht gaat over op de ouders. De laatste hamster werd door ons in de zomer losgelaten in het bos, is dat verkapte moord?, de parafernalia opgeruimd. De eerste zoon kwam er pas 3 weken later achter, zo diep zat de liefde.
En nu dus een schildpad. Voor mijn geestesoog zie ik terraria, infraroodlampen, instructieboeken en het trage beest dat niet geschikt is om aangehaald te worden.
In het centrum van je huis een fremdkörper met een luchtje, waar na een paar dagen niemand nog naar omkijkt, behalve de ouders die hem in leven moeten houden.

Toen mijn zoon geconfronteerd werd met mijn onverzettelijkheid, barstte hij uit in tranen en liep naar de armen van zijn moeder in de keuken, die de mogelijkheid nog had opengehouden.
Zometeen gaan we verder met een sneeuwpop maken.
De schildpad is voorlopig vergeten.
Benodigdheden: een wortel, 5 steenkooltjes, een oude sjaal, een bezem, een pan of hoed.