donderdag 24 maart 2011

Voordeur

In tegenstelling tot mijn moeder die het huis altijd luidruchtig binnenkwam, was mijn vader geruisloos. Die geruisloosheid hield een belofte in. Hij was er. Had hij iets meegenomen? Waar was hij geweest? Hoelang zou hij blijven? Ik hoorde hem al als de eerste tanden van de baard van de sleutel in het sleutelgat ratelden. Behoedzaam draaide hij de sleutel om. Hij opende de deur. Zacht was de terugslag van het glas van de tussendeur. Het sluiten van de deur alsof hij zijn jas dichtknoopte. Het neerzetten van zijn tas. Het tikken van de kledinghanger die hij pakte. Het doffe schuiven van de jas die hij uittrekt. De klik van het terughangen van zijn jas. Het openen van de tussendeur die vreselijk wilde gaan piepen, maar die hij ook in bedwang hield. Hij is thuis. Ik ontspan.

In de eerste jaren na zijn dood toen er iemand binnenkwam die enigszins behoedzaam te werk ging of als de wind op een bepaalde manier tegen de deur veegde, dacht ik direct dat hij het was. Huizen en lichamen zijn traag. Ze geven signalen onverstoorbaar door. Je spitst je oren en veert op. Het verstand gooit roet in het eten en werpt een bijtende lichtstraal op de echo's uit het verleden. Je hoort leugens.

Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt het zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,
en schimmel die een blinde muur aanrandt,
er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik en mijn stem gaat trillen,
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
niet te benaderen voor noodlots grillen,
geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.


(Cursieve tekst is gedicht 'De ceder', van Han G. Hoekstra)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen