zondag 17 juli 2011

Kareol

In de brugklas hadden we rituelen. Iedereen was een beetje bang. Een nieuwe school. Nieuwe mensen. Nieuwe mores. Als we een uur geen les hadden, een tussenuur, liepen we met een paar jongens de stad in. Meestal naar V&D (Verwulft) om stereo-installaties (het was de tijd van Radio Veronica en Mi Amigo) te bekijken en een gratis Top40 (wie staat er in de top 10?) te halen. Op zaterdag, ook les!, kocht ik een brood bij de bakker in de Koningstraat die het doormidden sneed en dik besmeerde met roomboter. Of naar de Grote Markt waar je zakjes met stroopwafelkruimels kon kopen voor een kwartje.

In de eerste herfst op het Gymnasium spraken we elke zaterdag af om te gaan fietsen in de omgeving. Een van de items was het Kareol. Dit was een geheimzinnig gebouw in Aerdenhout, dat je niet geloofde als je het zag.
We kwamen aanrijden in de natte mist van een vroege avond en zetten de fietsen tegen het hek. Stonden daar wel een half uur te kijken, te praten.
Dat er een clubje religieuze fanatiekelingen in woonde dat met rust gelaten wilde worden en hun verboden zaken achter de dikke muren verstopten. Dat er een pornokoning vrij spel had en van hieruit heel Europa bediende met zijn filmproducties. Of een drugsbaron zijn netwerk aanstuurde en per helikopter af- en aanvloog. Of een rijke nazaat die nooit getrouwd was. Een eeuwige vrijgezel die sigaren rookte en bij wie het onduidelijk was of hij het met vrouwen of mannen hield. Die 's nachts in rode lingerie door de gangen waarde.
Het gebouw stond daar als een niet te benaderen megabunker. Er zaten ramen in, maar nergens brandde een lichtje. Er stond wel een auto op het terrein, maar het was te donker achter de ramen om iemand te zien bewegen. Geen bel. Geen microfoon. Alleen de naam op de betonnen steunen van het hek. KAREOL. De zoete geur van rottend blad en het tikken van druppels die uit de bomen vallen. Kastanjes die gelanceerd werden uit boomtoppen en tak tak tak op het asfalt van de van Lennepweg kletterden als stuiterballen.

We zouden tegen het hek getrapt kunnen hebben. Niet vandalistisch, maar zachtjes, je moest wat. We zouden stenen opgeraapt kunnen hebben en over het hek gegooid. We zouden hebben kunnen roepen Wie is de Koning van Wezel om te luisteren naar de echo die het gebouw terugkaatste.

Al onze vragen bleven onbeantwoord. De avond was gevallen. We fietsen terug over een natte Zandvoortselaan. Naar de snackbar voor een frietje oorlog. Uit een auto klinkt Xanadu van Olivia Newton John.

Het Kareol is 2 jaar later, in 1979, afgebroken.

(-Wanneer zien we ons weer vandaag? Wanneer gaan wij drie weer waren bij donder, bliksem, regenvlaag?
-Als de trom de aftocht slaat, als het vaandel valt en staat.
-Vóór de zon dus ondergaat.
-Welke plek?
-Ginds op de hei.
-Daar is het dus: Macbeth en wij.
-Ik kom, Grimalkin!
-Padderik roept!
-Ja, zo!
-Grauw is goud en goud is grauw; zweef door damp en helledauw.)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen