woensdag 7 maart 2012

Vlinder

Mijn vrouw vond gisteren, ingeklemd tussen 2 houtnerven, een vlinder, vleugels tegen elkaar geplakt. Hij kon dood zijn. 
We werken samen. Ik breng de blokken van buiten en zij stapelt ze op in de buurt van de kachel. De vlinder kwam tevoorschijn van onder de blokken.
Ze pakte hem voorzichtig bij zijn vleugels van carbonpapier en legde hem op de roestvrijstalen voet van een ikealamp, zodat hij tot zichzelf zou kunnen komen.
Een poosje later zat de vlinder in de vitrage.
Dit kan geen vlinder zijn, maar een nachtuil, een mot. Zo probeerde ik de romantiek om zeep te helpen.
Volgens Herman van Veen, Irene van Lippe-Biesterveld of Shirley Maclaine is een vlinder in de winter, een geliefde die vanuit een andere wereld probeert ons iets te zeggen. Ik moet me bij mijn leest houden. Ik ben gezegend of gestraft met een beperkte gevoeligheid voor het zien van dingen die er niet zijn. Ik sta er open voor. Ik hou van bomen, maar ik ga ze niet omhelzen. Hooguit leg ik mijn hand met mededogen tegen de bast als ik omhoog kijk om in te schatten waar hij gaat vallen, voordat ik de motorzaag erin zet.
Maar deze vlinder blijft me intrigeren. Wat wil hij zeggen? Waarom fladdert hij door het huis? Buiten is het rond het vriespunt. Er is niks te eten. Hem vrijlaten is hem doden.

En terwijl Herman, Irene en Shirley zich laven aan een licht dat voor mij verborgen is, strompel ik over mijn terrein onder mijn voeten ongewild pissebedden, torren en andere onderkruipers dodend, bij wijze van spreken, want het ongedierte slaapt nog.
Ik was mijn handen in schuld, dat ben ik aan mijn verstand verplicht. Ook aan mijn gevoel trouwens.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten