woensdag 3 oktober 2012

Tsjechië

Ik woon op een steenworp van Tsjechië. De steen zou tegen een berg doodvallen, want er zitten wat verhevenheden tussen mij en Tsjechië, maar desalniettemin is de uitdrukking op zijn plaats.
We moeten naar Tsjechië want het hondenvoer is op. Dat kopen we altijd daar, want goedkoper. We rijden door de niksachtige, dove dorpen. Eerst in het chaotische Polen en daarna het aangeharkte Tsjechië. Het diepvries-communisme in Tsjechië heeft plaatsgemaakt voor een degelijk kapitalisme. Tsjechen houden niet van knoeien, dat zie je. Als je iets doet, doe het dan goed, moet de overtuiging zijn, dat straalt overal vanaf. Polen is veel meer een compromis-cultuur. Uit elkaar vallende hekjes, gaten in de weg, bermen die half zijn gemaaid. Polen zijn niet voorbereid. Het Noodlot heeft zoveel slagen voor Polen in petto dat het volk is gestopt met zich in te dekken. Het masochisme is hier koning.
Onze schuld, onze schuld, onze grote schuld. Polen is een wond. Tsjechië heeft pleisters.
Ik rij Tsjechië binnen met mijn zoons van 5 en 10. Wat moet een Nederlander in het midden van Europa met 2 poolssprekende kinderen in zijn auto? Deze keer worden we niet tegengehouden door de grenspolitie die soms nog controleert.
De dorpen zijn uitgestorven, alsof de huizen met hun ruggen naar de weg staan. Het zijn dorpen zonder eigenwaarde die klaar zijn voor annexatie. In het genetisch materiaal zit een bereidheid tot verkracht worden, de zinloosheid van verzet, het risico van het nekschot. Een ten hemel schreiende laconiciteit, een volstrekt gebrek aan ambitie.

Ik moet nog even Tsjechisch geld trekken en zie dat op de markt van het provinciestadje kermis is. Ik haal de jongens uit de auto, kermis kennen ze niet. Op elke kermis wordt altijd Una Paloma Blanca van George Baker en I've got the Power van Snap gespeeld, hier ook.
Ook hier dampende meiden en hitsige jongens. maar minder uitgesproken dampend en hitsig dan in de Lage Landen waar de brutaliteit geen grenzen kent. De attracties zijn iets aftandser dan in Nederland, maar minder aftands dan je in Midden Europa zou verwachten. Het zijn mini-uitvoeringen van draaimolens, cakewalks, schiettenten.
De jongen die de botsauto's regelt heeft een gouden gepommadeerde hanekam. Het is geen zelfhatende punker, maar een verzorgde jongen die zich zelfverzekerd over de botsautovloer beweegt. Zijn moeder? tante?, een kapotgerookte vrouw zit in het kassahuisje.
Het is niet druk op de kermis, maar er zijn genoeg mensen voor een sfeertje. Mannen komen met hun vrouwen de kermis op. Kapotte mannen met zwarte t-shirts die als een luifel zweven onder hun bierbuik. Ze komen de kermis op alsof het elke dag kermis is, zonder vertoon van opwinding. Professionele kermisvierders die nergens van onder de indruk zijn. De vrouwen zijn opgetogen. Ook zij zijn kapotgerookt en gezopen, maar ze lijken zichzelf nog in de hand te hebben. Zijn nog niet gecapituleerd voor een leven dat nooit zal veranderen.

Mijn zoontje van 5 wil niet met mij in de botsauto's. Die van 10 wil alleen. We kijken hoe hij het doet. Hij redt zich prima, krijgt boosaardige trekken in zijn gezicht en heeft er plezier in om anderen met volle vaart een dreun te geven. Ik maak me daar geen zorgen over. Integendeel, ik zie het graag. Het kroost moet weerbaar zijn. Ik wil mezelf zo snel mogelijk overbodig maken.
Het kost me geen moeite me voor te stellen hoe hij over een paar jaar auto zal rijden en ik me dan kan laten chaufferen. Heerlijk lijkt me dat. Als het is afgelopen vraag ik of hij nog een keer wil. Natuurlijk wil hij dat. De kleine blijft aan de kant zitten op de houten vlonders. Hij heeft ogen als zeesterren, is gefascineerd door ons, vergeet zichzelf.
Ik ga op de bijrijdersstoel zitten en laat me door de oudste rijden. Hij laat me alle hoeken van de botsautovloer zien. Ik wil het gezicht van mijn zoon zien en bespied hem van opzij, hij wordt niet graag geobserveerd.
Ik zie dat hij de verantwoordelijkheid aankan. Zeker en geconcentreerd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen